‘Er is leven na de dood’

Kerken zijn vaak in trek als decor voor uitvaarten. De kerk zit dan vol met gelegenheidskerkgangers en de dominee grijpt zijn kans om de aanwezigen te bekeren.

Illustratie Theo Gootjes Gootjes, Theo

De fraai gerestaureerde middeleeuwse kerk in het hart van de oude stad leent zich bij uitstek voor een sfeervolle uitvaartdienst, zoals laatst weer eens bleek toen een geliefde stadgenoot was overleden.

Ik moet zeggen „het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld”, want hoewel hij nooit een voet in de kerk zette, geloofde de overledene in leven na de dood. Het was de ceremoniemeester, tevens dominee en vriend, die in zijn openingswoord gewag maakte van dit zelfs voor intimi onbekende feit.

Het afscheid was even ontroerend als indrukwekkend. Ontroostbare familieleden en verdrietige vrienden voerden het woord. Er zong een dameskoor en er zong een tenor.

Het einde van de bijeenkomst leek nabij toen de ceremoniemeester aan zijn slotwoord begon. Hij legde uit dat de overledene het bij het rechte eind had met zijn verwachting dat de hemelpoort voor hem openstond.

„Ik heb er maar één keer met hem over gesproken en dat was een kort gesprek”, kregen de aanwezigen te horen. „Hij geloofde in God en in een leven na de dood, in een hemel. En ik ben er zeker van dat het zijn wens is dat ik daarmee nu voor de dag kom als iets dat hij wil nalaten, om mee te geven.”

Kern van het breedvoerige betoog dat hierop volgde, was dat de overledene zijn hart en intuïtie niet had laten blokkeren door zijn verstand.

‘Kul’, hoorde ik in mijn oor fluisteren.

Er zat een duiveltje op mijn schouder.

„Hou je bek”, zei ik. De mensen keken om.

„Ze gaan over lijken om hun gelijk te halen!” siste het duiveltje.

Ik ging er niet op in.

„Hij staat te genieten van zijn eigen stem alsof hij een engelenkoor hoort”, stookte de boze geest.

Dat viel best mee voor een dominee. Hij galmde nauwelijks. Het was ook niet echt een preek, meer een overpeinzing. Ik was allang blij dat hij het alleen maar had over het lichtende hiernamaals en niet over het lááiende, mijn jeugdtrauma.

Ik negeerde het geniepige stemmetje. Met de duivel ga je niet in discussie.

De weleerwaarde waarschuwde voor „de schone schijn, aangeprezen en opgedrongen in reclame en politiek”.

„De pot verwijt de ketel”, sneerde de duivel.

Toen de zielenherder Freud en Nietzsche citeerde, hoonde hij: „Toe maar, sleep die ouwe negentiende-eeuwers er maar met de haren bij. Slaat nergens op, maar klinkt geleerd. Gaat er altijd in als koek.”

Beëlzebub werd hels toen de ceremoniemeester de bijna-doodervaringen als bewijs voor het bestaan van het hemelse paradijs opvoerde. „Spirituele prietpraat”, brieste hij.

Omdat hij geen vat op me kreeg, gooide mijn kwade genius het over een andere boeg.

Op een zoetsappig toontje gaf hij te kennen dat het niet netjes was om kerkgangers tegen wil en dank met zo’n verhaal op te zadelen.

Daar had hij wel gelijk in, maar het was beslist aardig van de dominee dat hij zijn vriend de hemel in prees – en aangezien hij toch die kant uit moest ook maar meteen een beetje zichzelf.

In een ultieme poging mij uit de tent te lokken, zong de gevallen engel met krakende stem het succesnummer van Freek de Jonge: „Of je christen, zenboeddhist bent, islamiet of jood. Er is leven, er is leven na de dood.”

Zelfs voor de zóón van een dominee had hij geen respect!

Het slotwoord duurde intussen al twintig minuten. „Moet je niet plassen?” sarde mijn kwelgeest. Dat moest ik zeker.

Toen dominee eindelijk zijn laatste A4’tje had omgeslagen, kermde de rakker: „Rij dus rustig door oranje en geef extra gas bij rood. Er is leven, er is leven na de dood.”

Terwijl de aanwezigen stommelend uit de banken omhoog kwamen om uit volle borst het Auld Lang Syne ten gehore te brengen, sloop ik naar het toilet.

Beëlzebubje sprong van mijn schouder op de potrand en hijgde: „Steek je snikkel zonder rubber in een hetero of een poot. Er is leven, er is leven na de dood.”

„Ga heen satan”, riep ik en hij verdween, gelijk geschreven staat.

Maar ik was nog niet van hem af.

Buiten kwam de pestkop boven mijn hoofd cirkelen. „Zeg het maar, zeg het maar”, kraste hij.

„Ik geloof heilig in leven na de dood”, beet ik hem toe: „Als mijn tijd erop zit, gaat het leven gewoon door.”

Kraaiend van triomf fladderde de duivel een rondje om de toren.

„Tot ziens in de hel, ketter!” hoorde ik hem krijsen voordat hij uit het zicht verdween, mij knarsetandend achterlatend.