Een vitaal oudje

beeld Bart Nieuwenhuijs Nieuwenhuijs, Bart

Gember is een weeskind. Zo’n 3000 jaar geleden duikt hij op als een gecultiveerde plant. Zijn wilde voorouders zijn onbekend. Aanvankelijk wordt gember om zijn vermeende heilzame eigenschappen gewaardeerd. Nu nog zijn natuurgenezers vol lof over de gember. Als een medicinaal multitalent helpt hij werkelijk overal tegen, van malaria tot zeeziekte. En natuurlijk wekt gember ook nog eens de liefdeslust op. Je zou het niet zeggen als je de gemberwortel in het potje in mijn vensterbank ziet staan. Hij heeft het silhouet van een cactus zonder stekels, ontdaan van elke agressie.

Smakelijke knapperigheid

Tuinierliefhebbers op internet beweren dat je de gemberplant – die doorgaans gedijt in een tropisch, zeer nat klimaat – ook hier uit de wortelstok kunt opkweken. De uitlopers zouden bogen op een smakelijke knapperigheid. Vooralsnog ziet het er niet uit dat het wat gaat worden, maar een amaryllisknol wekt aanvankelijk ook geen hoge verwachtingen.

Misschien kan de gember beter liggen in de potgrond in plaats van staan, want het eetbare deel van de plant is de wortelstok. Gember kan behoorlijk scherp zijn, maar het is een zachtmoedige scherpte. Er zit altijd iets fris en fruitigs in de smaak. Die komt tot ons in verschillende gedaanten. Nostalgisch zijn de bolletjes gember ingelegd in siroop. Ooit moet de kristallen gemberpot op het buffet van mijn overgrootmoeder ermee gevuld zijn geweest. Inmiddels zijn we twee generaties verder en de pot is al tientallen jaren leeg.

Ze staan ook vrijwel nooit meer in restaurants op de kaart, bolletjes stemgember met lobbig geklopte room. Gembersiroop is wel in de schappen van de supermarkt te vinden, net als gemberpoeder of djahé, een populair bestanddeel van oosterse kruidenmengsels. In ons land wordt gemberpoeder vanouds gebruikt in koek en gebak. Ook om gemberbier hangt de sfeer van weleer.

Oud in het oosten, maar nieuw in de westerse keukens zijn de verse gember en de in azijn gelegde Japanse gember. Ze zijn tegenwoordig alom te krijgen en vinden hun weg naar min of meer oosterse gerechten. In het potje in de vensterbank zit nog weinig leven, maar in de keuken barst het drieduizend jaar oude weeskind van vitaliteit.

    • Joep Habets