De rechter vindt het zelf ook erg

‘Europa’ wordt steeds belangrijker in het strafrecht, maar de Nederlandse rechter lijkt dat te negeren. Ze vinden het zelf ook verontrustend.

Weten rechters zelf eigenlijk wat de stortvloed aan Europese wet- en regelgeving in de dagelijkse rechtspraktijk betekent? En zo nee, is dat dan verontrustend?

Het was een vraag die de beroepsgroep zelf moest beantwoorden, gisteren op een bijeenkomst van de Kamer Europees Strafrecht van de Amsterdamse rechtbank. Rechters gaven zich daar opmerkelijk openhartig over aan zelfreflectie. Meer dan zestig procent van de aanwezigen beantwoordde de vraag met een volmondig ‘nee’. Ze voegden daaraan toe dat ze dit zelf ook verontrustend vonden.

En dat terwijl de Europese invloed de komende jaren alleen maar zal groeien, waarschuwde vicepresident bij de Hoge Raad G. Corstens. Door het Verdrag van Lissabon wordt de greep van de Europese Unie nog sterker. De EU houdt zich steeds meer bezig met strafrecht. De ogen ervoor sluiten kan volgens hem niet, weerstand bieden ook niet.

In 1999 waarschuwde A. Meij, toen rechter bij het Europese Hof voor Justitie in Luxemburg, al voor ernstige kennislacunes in de Nederlandse strafrechtspraak. Toenmalig minister Korthals (Justitie, VVD) onderschreef dat rechters op de hoogte moesten zijn van Europese ontwikkelingen. Dat zou met cursussen en extra opleidingseisen wel bij te spijkeren zijn.

Tien jaar later blijkt Korthals niet overal navolging te hebben gekregen. Het Openbaar Ministerie en de politie hebben de inhaalslag wel gemaakt, vindt officier van justitie en lector strafprocesrecht H. Pieters. Maar dat geldt zeker niet voor de zittende magistratuur.

Waar in Europa respect voor elkaars gerechtelijke procedures en vonnissen uitgangspunt is, hebben Nederlandse rechters een beruchte reputatie opgebouwd. Zij kiezen soms voor een wel erg nationale invulling van het recht.

Met die houding zetten rechters samenwerking met andere landen onder spanning, aldus Pieters. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in de relatie met Duitsland, waarmee Nederland toch intensieve banden onderhoudt. Onder druk van advocaten gelasten rechters vaak nader onderzoek als uit Duitse dossiers blijkt dat bij opsporing zogeheten ‘Vertrauenspersonen’ zijn ingezet. Criminele burgerinfiltranten heet dat dan in Nederland, en die zijn verboden. Maar Vertrauenspersonen mógen in Duitsland helemaal niet optreden als burgerinfiltrant en hun informatie wordt zelden als bewijs in de rechtbank gebruikt. De Nederlandse rechter gaat zo’n opsporingsmethode toetsen, terwijl hij dat naar internationaal recht helemaal niet mag.

Rechters geven ook vaak toe aan verzoeken om schier onmogelijk te benaderen buitenlandse topfunctionarissen te horen als getuige. Of er moeten getuigen worden gehoord in landen waarmee Nederland geen enkele verdrags- of politieke relatie heeft. Pieters liet in het midden welke rechters zulke onderzoeksopdrachten hebben toegelaten.

Zelfs op het gebied van mensenrechten is de Nederlandse reputatie tanend. Volgens de Leidse hoogleraar straf- en procesrecht C. Cleiren is de jurisprudentie op basis van het Europese mensenrechtenverdrag onontbeerlijk voor de Nederlandse strafrechtspraak. Maar: „We weten er beschamend weinig van.”