De jogger in Jalta

Joera wil zijn Engels oefenen. Voor een betere toekomst.

Jalta Foto Emilio Suetone Ukraine, Black Sea, Crimea, Yalta hemis.fr

‘Ik ben nog nooit buiten Oekraïne geweest”, zei de 37-jarige Joera terwijl de regen ons doorweekte. We kwamen elkaar tegen op het kilometerslange pad dat tsaar Nicolaas II had laten aanleggen bij zijn zomerpaleis in Livadia op de Krim. Joera was aan het joggen, ik aan het wandelen.

„Waar komt u vandaan?” vroeg hij me in keurig, langzaam uitgesproken Engels, nadat ik hem in het Russisch had gegroet.

„Uit Nederland”, zei ik.

„Kunnen we niet wat afspreken?”, vroeg hij meteen. „Want ik wil mijn Engels in de praktijk brengen. Zo vaak ontmoet ik geen buitenlanders. Heb je vanavond iets te doen?”

Hij gaf me zijn mobiele telefoonnummer en rende verder.

Die avond zagen we elkaar in Jalta, in de hal van hotel Bristol. Zijn sportbroek en T-shirt had Joera verwisseld voor een blauw trainingspak en een Oxford Russisch-Engels zakwoordenboek. Ik stelde hem voor iets te drinken in de bar van het hotel. Maar omdat daar, zoals in alle horecagelegenheden op de Krim, de muziekinstallatie op zijn hardst stond, besloten we na een half uur van onverstaanbaarheid ons geluk op straat te zoeken.

Op de boulevard zwalkten jonge Oekraïense en Russische toeristen met flessen bier in hun hand. Twintigers en dertigers die zich maximaal ontspanden aan zee.

„Er wordt wel veel gedronken in Oekraïne, hè”, zei Joera beschaamd, toen twee aangeschoten jongens bijna tegen hem opbotsten. „’s Ochtends vroeg beginnen ze al. Uit wanhoop over de economische crisis waarin ons land verkeert. We hebben een inflatie van 30 procent, het gemiddelde salaris is 200 dollar en de benzineprijs is vorige maand enorm gestegen, waardoor een autorit voor een gewone Oekraïner onbetaalbaar is. We mogen tegenwoordig dan democratie hebben, maar die heeft ons alleen ellende en chaos gebracht.”

Joera vertelde vervolgens dat hij nu tijdelijk privéchauffeur is van een fabrieksdirecteur uit Donetsk. „Mijn baas is een zestiger van het Sovjet-type”, zei hij. „Hij houdt er niet van om zelf achter het stuur te zitten. Daarom heeft hij mij ingehuurd om hem en zijn vrouw naar zijn vakantieverblijf in Livadia te brengen en ze rond te rijden.”

Op mijn vraag wat hij voor opleiding had, gaf Joera geen duidelijk antwoord. Hij had in ‘allerlei zaakjes’ gezeten, die stuk voor stuk waren mislukt. Nu studeerde hij sinds twee jaar Engels.

Ook was hij na twee mislukte huwelijken sinds kort weer vrijgezel. Bij iedere ex-echtgenote had hij een kind. „Ik mis mijn kinderen”, zei hij, starend naar een paar rondjes fietsende kleuters. En toen: „Als ik vroeger met mijn vrouw over de boulevard liep, hadden we elkaar nooit iets te vertellen. Dat zegt toch wel veel over een huwelijk.”

We slenterden verder en werden regelmatig door jonge vrouwen gewenkt met een voorstel tot betaalde liefde. „Je moet niet denken dat het professionele hoeren zijn”, zei hij alsof hij namens hen om vergiffenis vroeg voor hun gedrag. „Maar ze moeten hun familie financieel bijstaan en worden door hun broers op pad gestuurd.”

Overal op de boulevard zijn sporen van schrijver Anton Tsjechov, die veel van Jalta hield. Zijn buste siert het stadspark, er is een straat naar hem vernoemd en aan het eind van het plaatsje torent boven de bomen de villa uit die hij er heeft laten bouwen en die nu in verval is.

„Ik heb nog nooit iets van Tsjechov gelezen”, bekende Joera, toen we een dame met een wit hondje passeerden. Ik vertelde iets over Tsjechovs leven, zijn werken en zijn humanisme.

„Wat is humanisme eigenlijk?” vroeg Joera toen.

Ik legde hem uit dat die wereldbeschouwing de menselijke waardigheid en vrijheid hooghield en een van de pijlers was van de westerse beschaving. Hij keek me indringend aan en vroeg: „Wat is Nederland eigenlijk voor een land?”

Ik vertelde hem over de Nederlandse democratie, het systeem van sociale zekerheid, de redelijk gebalanceerde welvaart waarin miljardairs en echte armoedzaaiers schaars waren.

Het was voldoende informatie voor Joera’s conclusie: „Volgens mij is bij jullie in het Westen het ware communisme gerealiseerd. Bij jullie heb je rechtvaardigheid, gelijkheid, solidariteit met de minder bedeelden. In de Sovjet-Unie bestonden die niet. Daar had je hoogstens een systeem van leugens, waarin een kleine elite zich net zoals nu verrijkte en de rest kon stikken. Ook al was het voor velen toen beter dan nu, want de gezondheidszorg was gratis.”

Ik zweeg, uit respect voor zijn geloof in de communistische heilsleer.

„Hoe stel je je de toekomst voor in deze moeilijke tijden?” vroeg ik als afleiding.

„Ik hoop tolk-vertaler te worden”, zei hij. „Dan kan ik voor zakenmannen werken en behoorlijk verdienen.”

Ik zweeg opnieuw. In gedachten sprak ik de wens uit dat Joera de komende tijd veel Engelssprekende toeristen zou ontmoeten, zodat hij zijn spreekvaardigheid kon verbeteren. Want alleen dan zou hij zijn betere wereld kunnen realiseren.