Bloem

De tumor heeft zich als een een bloem op zijn mond geplaatst. Die zin is van de Italiaanse schrijver Luigi Pirandello. Als een bloem. Wie heeft die bloem daar neergezet?

De dood. Ik kom over zes à acht maanden terug, heeft de dood gezegd. Intussen doet de bloem zijn verwoestend werk. De dood leeft dus. Hoe kan dat?

Volgens Pirandello kan dat op veel manieren. Bijvoorbeeld doordat de patiënt dagelijkse dingen als bijzonder of uniek gaat beschouwen. Zoals de smaak van sappige abrikozen. Hij heeft er in zijn leven wel duizend gegeten, maar nu is die vrucht de verbeelding van de essentie van het leven.

Ook de stoel in de wachtkamer van de dokter wordt zoiets. Wat zo’n stoel allemaal niet heeft meegemaakt! Nog anders: pakpapier. Wel eens stilgestaan bij pakpapier? Nee?

Domkop! De drager van de bloem legt zijn identiteit in dingen, omdat de dodelijke tumor langzaam zijn identiteit losweekt en beschikbaar maakt voor andere toepassingen. Bijvoorbeeld door die te verdelen over abrikozen, stoelen, pakpapier. Net zo lang tot hij geen identiteit meer overheeft en zelf een ding is geworden. De dood leeft ook op een andere manier, via de omgeving. Zijn vrouw klampt zich aan de stervende vast. Hij mag niet gaan. Zij laat hem zeggen dat hij vasthoudt aan het leven „zoals een klimplant aan de spijlen van een hek”. Hier spreekt zijn vrouw.

Bij Pirandello neemt ook hier de stervende afscheid van zijn identiteit. Hij draagt die over. Zodra is gebleken dat hij in andere mensen kan voortleven komt de dood hem halen.

Sommigen zeggen dat de mens geen directe toegang heeft tot zijn eigen identiteit. Wat je bent kan je alleen zien door je te spiegelen aan anderen. De dood is daarmee niet veel anders dan overdracht van identiteit aan anderen. Dat is in sommige gevallen misschien goed, maar in heel veel gevallen ook niet. Een avond naar het theater leverde op: de dood leeft. De dood bemiddelt in de overdracht van identiteiten. Hij draagt bij tot het eeuwige leven. Dat is wel een beetje zorgwekkend.

Wynold Verweij