Bedreigde krullen

De straatmeubels van de ontwerpers van de Amsterdamse School zijn zeldzaam geworden in Amsterdam. Maar in de tuin van Museum Het Schip wemelt het ervan.

Splitskast van P.L. Marnette Krul uit 1869 straatmeubilair van de Amsterdamse School. Museum 't Schip, Amsterdam. 2 juni 2008. foto Maarten van Haaff Haaff, Maarten van

Sommige oude ‘straatmeubels’ van museum Het Schip zie je nog wel eens in het wild in de Amsterdamse straten. Zoals de gietijzeren kabelkasten van het vroegere Gemeente Energiebedrijf die hier en daar, bedekt door graffiti, tegen huizen aanleunen. Of de krul, het beroemde urinoir met open onderkant. En de ijzeren prullenbakken, met hun zilver geverfde cilinders waaruit een gele bak stulpt, werden tot een jaar of vijftien geleden nog overal in Amsterdam gebruikt. Hij dateert uit 1932 en is ontworpen door P.L. Marnette, die als vormgever bij de Amsterdamse dienst Publieke Werken werkte. Maar de meeste van de dertig straatmeubelsdie die sinds 29 mei in de tuin van museum Het Schip in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt staan, zoals gemeentegirobussen, hekken en lantaarnpalen, zijn al langer uit de stad verdwenen.

Wat ze gemeen hebben, is dat ze, op de krul na, allemaal zijn ontworpen door ontwerpers van de Amsterdamse School. Het Schip is het almaar uitdijende museum over de architectuur en vormgeving van de Amsterdamse School, de Nederlandse variant van het expressionisme die een zwaar stempel heeft gedrukt op de stadswijken in de hoofdstad uit de jaren 1915-1940 (zie inzet). Verschillende van de straatmeubels zijn afkomstig van de Dienst Bruggen van de gemeente Amsterdam, vertelt Alice Roegholt, directeur van Het Schip. „Daar werkte Hans Stoffelaars, een liefhebber van de Amsterdamse School. Hij ontfermde zich over lantaarnpalen van Amsterdamse-Schoolontwerpers die moesten verdwijnen. Hij sloeg ze op in ruimtes onder de Wiegbrug in Amsterdam-West. Hij heeft jarenlang geprobeerd er een museum van verdwenen Amsterdamse-Schoolobjecten van te maken. Maar dat is hem niet gelukt. Nu is dat er eindelijk wel. Dit is trouwens nog maar het begin. Ik verwacht dat de komende jaren allerlei spullen zullen opduiken.”

De mooiste dingen in het tuinmuseum zijn de vier lantaarnpalen van hout en koper die eens een in 1960 gesloopte brug van de architect Piet Kramer sierden. Met hun ruggegraatachtige versieringen zijn ze onmiddellijk herkenbaar als iets van de Amsterdamse School. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat ze zijn ontworpen door Kramer, die tussen de twee wereldoorlogen zo’n vierhonderd bruggen in Amsterdam ontwierp. „Maar ik denk dat ze van Michel de Klerk zijn, de bekendste Amsterdamse-Schoolontwerper”, zegt Roegholt. „Er zit een grapje in dat typisch is voor zijn werk. Net als veel andere lantaarnpalen hebben ook ze twee kleine dwarsstukjes onder de lamp. Daar kon je een ladder tegen aan zetten om de lamp te verwisselen. De Klerk heeft de lampenkap zelf ook versierd met een soort laddertje, zodat er een ladder op een ladder stond als een lamp werd verwisseld. Aan de andere kant van de kap zit een soort ruggengraat met ribben; dat je ook ziet in stoelen van De Klerk.”

De voorwerpen in het tuinmuseum laten weer eens zien dat geen voorwerp te banaal was voor de Amsterdamse-Schoolarchitecten om hun ontwerplust op te botvieren. In opdracht van de Dienst Publieke Werken ontwierpen ze hekken, lantaarnpalen, girobussen en kabelkasten. Zelfs tijdens de zware crisis van de jaren dertig had de gemeente geld over voor zorgvuldig vormgegeven straten. Voor Hans van Harten, directeur van de Amsterdamse federatie van woningcorporaties die Het Schip medefinanciert, is de vormgeving van de Amsterdamse-Schoolarchitecten nog steeds voorbeeldig. „Na de Tweede Wereldoorlog is de traditie om alles, van de straat tot de deurknop, vorm te geven verloren gegaan”, zegt hij in het nieuwe tuinmuseum. „Om de woningnood te bestrijden, kwam toen de nadruk in de woningbouw te liggen op kwantiteit in plaats van kwaliteit. Maar de laatste jaren bespeur ik toch weer meer aandacht voor de vormgeving van openbare ruimte. Je ziet ook dat er meer aandacht is voor het buurtbeheer in de vorm van bijvoorbeeld buurtconciërges. De buurt wordt weer als één geheel gezien.”

De les van de Amsterdamse School is dat investeringen in vormgeving lonend zijn, zegt Rolf Steenwinkel, wethouder wonen, beheer & openbare ruimte van het Amsterdamse stadsdeel Westerpark. „Kijk maar naar de flats van de Bijlmermeer”, zegt hij. „Die zijn inmiddels voor een groot deel afgebroken. Maar in de oudere blokken van de Amsterdamse School wonen de mensen graag. Bewoners waarderen het als hun woning en de dingen in de straat met zorg en liefde zijn gemaakt. Hier in de Spaarndammerbuurt, waar veel Amsterdamse-Schoolgebouwen staan, is daarom nooit sprake geweest van een grote uittocht van de middenklasse.”

Maar het valt niet mee om nu bij het ontwerpen van straatmeubilair het niveau van de Amsterdamse School te halen. „Het maken van de Amsterdamse-Schooldingen was heel arbeidsintensief”, zegt Steenwinkel. „Dat is nu niet meer te betalen. Bovendien zijn ze vaak kwetsbaar. Neem nu de prachtige lantaarnpalen hier. Die zijn van hout. Dat kan nu niet meer, daar gaan jongens hun naam in kerven. Alles moet hufterproof en gemakkelijk te onderhouden zijn. Daar worstelen de vormgevers van mijn stadsdeel mee.”

Museum Het Schip. Spaarndammerplantsoen 140 1013 XT Amsterdam. Openingstijden: wo t/m zo 13-17 u.
    • Bernard Hulsman