Baas in eigen kraambed

Barende vrouwen willen geen pijn meer lijden. En hoe lang blijven ze in Nederland nog thuis bevallen? „Vrouwen lijken soms wel te zijn vergeten dat ze zoogdieren zijn.”

Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland,Utrecht, 04-06-2008 Marloes Biermans, hoogzwanger. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Sophie de Rijk, 39 jaar, ruim 17 weken zwanger, maakt zich vreselijke zorgen. Dat zegt ze niet, maar het is aan haar te zien. Grote ogen, bleek gezicht. Acht dagen geleden heeft ze een vruchtwaterpunctie gehad en sindsdien heeft ze pijn in haar buik, vooral ’s avonds. Ze heeft wat vruchtwater verloren. Een beetje bloed ook. En nu zit ze, dinsdag 3 juni, voor een extra consult bij de verloskundige.

De verloskundige, Lisette Roelofs, weet dat Sophie de Rijk zich zorgen maakt – leeft mijn baby nog wel? – maar zij zegt het niet. Ze lacht opgewekt: „Hoe gaat het?”

„Moe”, zegt Sophie de Rijk. „Heel moe. Vooral ’s avonds.”

„Je verbruikt nu veel meer energie, hè”, zegt Lisette Roelofs. „Ook als je stilzit. Dus als je 40 uur per week werkt, verbruik je energie voor 60 uur.”

Sophie de Rijk is violiste. Overdag heeft ze leerlingen, ’s avonds treedt ze op met haar kwartet.

„Kun je tussendoor rusten?” vraagt Lisette Roelofs. „Even lekker een uurtje liggen?”

„Nou eh...”

Het is het eerste kind van Sophie de Rijk. En het zal haar laatste zijn, denkt ze. Ze had er niet op gerekend, haar vriend dacht dat hij onvruchtbaar was. Dit kind is een „cadeautje”. Haar enige kans.

„Heb je menstruatiepijn?”, vraagt Lisette Roelofs.

„Ik had het wel na de punctie”, zegt Sophie de Rijk. Ze ligt op de onderzoekstafel – nog slank en meisjesachtig in haar strakke bloemenjurkje en broek met wijd uitlopende pijpen. Ze wijst op haar buik, vlak boven haar schaambeen. „Het voelt alsof hier een harde bol zit. Die doet pijn. En ’s avonds word ik veel dikker.”

„Dat is vermoeidheid”, zegt Lisette Roelofs. „Je kunt je buikspieren dan niet meer goed aanspannen.” Ze legt twee vingers onder Sophie de Rijks navel en zegt, terloops, dat de baby prachtig gegroeid is.

Sophie de Rijk lacht.

Dan laat Lisette Roelofs haar met de doptone het hartje van de baby horen, tik, tiktik, tik, twee keer zo snel als het hart van de moeder en regelmatig, precies zoals het moet.

Sophie de Rijk huilt bijna.

„Het zit er echt hoor”, zegt Lisette Roelofs. „Als je je weer zorgen maakt, mag je gerust komen hoor.”

„Ja”, zegt Sophie de Rijk. „Ik moet nog leren wat ik eigenlijk voelen moet. En ik denk wel eens...” – ze lacht verlegen – „als ik nog dikker word, dat red ik nooit.”

„O ja wel hoor”, zegt Lisette Roelofs. „En je wordt nog véél dikker. Wacht maar.”

We zijn in de Grevelingenstraat in Utrecht, een van de drie locaties waar Lisette Roelofs van Verloskundigenpraktijk Utrecht-Oost een paar keer per week spreekuur houdt. De Grevelingenstraat is midden in een volkswijk, maar vandaag komen er toevallig veel vrouwen zoals Sophie de Rijk: hoog opgeleid, hard werkend, boven de 30.

Aan deze vrouwen, en ook aan de vrouwen die een afspraak op de locatie Koningslaan hebben, vragen we hoe ze willen gaan bevallen en waarom. Met of zonder verdoving. Thuis of in het ziekenhuis.

Uit onderzoeksresultaten van TNO, afgelopen maandag gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Birth, blijkt dat een op de zes Nederlandse vrouwen ontevreden is over het verloop van haar bevalling. Bij vrouwen die voor het eerst bevielen is het een op de vier. Veel meer dan in Engeland, waar het onderzoek op dezelfde manier werd uitgevoerd. Daar is een op de negen vrouwen niet tevreden.

Het verschil, zegt Simone Buitendijk van TNO, wordt vooral verklaard doordat in Nederland de bevalling relatief vaak thuis begint en in het ziekenhuis eindigt. Daar houden vrouwen slechte herinneringen aan over.

Verloskundigen en gynaecologen in Nederland ruziën al heel lang over wat de beste en veiligste manier van bevallen is, maar het gaat nu om de wensen en ideeën van vrouwen zelf, hoe die de laatste jaren snel veranderd zijn. En hoe daardoor de manier van bevallen verandert: steeds vaker in het ziekenhuis, steeds vaker met een ruggenprik tegen de pijn, steeds vaker op een afgesproken tijdstip of met een keizersnee.

In de jaren zeventig bevielen zeven van de tien vrouwen in Nederland nog thuis. Nu zijn het er niet eens meer drie van de tien. Daarmee is in Nederland bijna het omslagpunt bereikt, waarna het thuis bevallen zou kunnen verdwijnen. Want als te weinig vrouwen thuis bevallen – vijftien, twintig procent – dan wordt thuis bevallen een zeldzaamheid. Zo is het in andere westerse landen gegaan.

En dan de ruggenprik, die alleen in het ziekenhuis kan en dus niet samengaat met een thuisbevalling. Een op de tien Nederlandse vrouwen krijgt die nu, wat weinig is vergeleken met vrouwen in de Verenigde Staten (zes op de tien) of België (zeven op de tien). Maar het is al wel meer dan een paar jaar geleden, toen een ruggenprik in Nederland alleen werd gegeven in noodgevallen. Nu komt er een nieuwe richtlijn voor gynaecologen en verloskundigen, waarin staat dat vrouwen die om pijnstilling vragen, die ook moeten kunnen krijgen.

Ook in de verloskunde wordt het normaal om naar de klant te luisteren.

Die klanten – dat blijkt in de wachtkamer van de verloskundigen in de Grevelingenstraat en de Koningslaan – vinden dat volkomen vanzelfsprekend. Ze vinden wel dat de verloskundige of de gynaecoloog moet adviseren wat het beste voor hen is. Maar ze gaan er van uit dat zij degenen zijn die zullen beslissen.

Luister naar Suzan de Kleer, 30 jaar, bijna 39 weken zwanger. Ze was onderwijzeres, ze is nu onderwijskundige en ze ziet er stoer uit, in haar strakke zwarte stippenjurk, en nog steeds op de fiets. Tien jaar geleden zeiden vrouwen zoals zij dat ze natuurlijk thuis zouden bevallen en dat ze niet aan een ruggenprik moesten denken. Dat was medicalisering en dus slecht. En nu?

Suzan Kleer zegt dat ze „niet star” is over pijnstilling. „Als het echt nodig is, dan is het nodig.” Ze besloot om thuis te gaan bevallen, nadat de verloskundige had gezegd dat ze naar het ziekenhuis zouden gaan als er bij de baby „ook maar één kleine teen dwars zit”.

Sophie de Rijk, de violiste, zegt: „Ik dacht altijd dat ik het nooit zou willen. Maar als ik hoor dat het in ongeveer de hele wereld al normaal is, en als ik het echt niet kan uithouden, ja, waarom dan eigenlijk niet?” Zo praten de andere vrouwen er ook over. Ze zien de „meerwaarde” van pijn niet. Ze hoeven zeker niet bij voorbaat al pijnstilling. Maar ze vinden dat zij moeten kunnen zeggen „waar de grens ligt”.

Alleen de keizersnee is in Nederland nog niet iets waar vrouwen om kunnen vragen en dan ook krijgen. Zoals in Japan of de Verenigde Staten, waar een op de drie vrouwen niet meer gewoon bevalt. Al begint dat hier wel te komen, bijvoorbeeld in het Gooi en in Wassenaar.

Lisette Roelofs, spijkerbroek en bloemenbloesje, zit al vijfentwintig jaar in het vak en ze heeft in die tijd een paar dingen zien veranderen.

Vrouwen zijn gaan studeren en werken. Ze zijn langer gaan wachten met het krijgen van hun eerste kind. Ze zijn – vaak, niet altijd – gewend geraakt aan welvaart en vrijheid om te kiezen, hun leven te plannen. Ze komen uit kleine gezinnen, waardoor ze niet goed weten hoe het is om een kind te krijgen. Door dat alles, zegt Lisette Roelofs, zijn zwangere vrouwen nu niet meer zoals zwangere vrouwen vroeger waren.

Alleen al de aandacht die ze vragen en krijgen. Vijfentwintig jaar geleden controleerde een verloskundige in één uur acht vrouwen. Nu vier. Vijfentwintig jaar geleden kwam een vrouw pas als ze drie maanden zwanger was voor de eerste keer op consult. Nu is na twee maanden normaal en ze komen vaker een keer extra tussendoor.

En dan de beleving van de pijn bij de bevalling, en hoe lang het allemaal duurt. Lisette Roelofs zegt dat vrouwen vaker dan vroeger bij de eerste weeën al denken dat de bevalling begonnen is. „Als het na 24 uur pas echt begint, zijn ze voor hun gevoel al een dag bezig.”

Ze hebben niet meer geslapen en zijn eigenlijk al te moe om verder te gaan. Het gebeurt vaker dat Lisette Roelofs dan zelf besluit dat vrouwen maar beter pijnstilling kunnen krijgen. „Ik hoor mezelf ook tegen vrouwen zeggen dat we toch echt zoogdieren zijn, kom op, je kunt het.” Ze lacht erbij, een beetje gegeneerd. „Het lijkt soms alsof vrouwen dat vergeten zijn.”

Ze heeft er verder geen oordeel over, of in elk geval spreekt ze dat niet uit. Zij en de vier andere verloskundigen uit de praktijk vinden dat ze er zijn voor de zwangeren, en niet andersom. Haar collega Annemarie Idema, acht jaar in het vak, zegt dat ze dat een grote verbetering vindt vergeleken met vroeger. „Wij zijn niet de baas en dat zeggen we ook tegen vrouwen. Jij bent de baas. Het is jouw bevalling. Wij gaan mee in met wat zij willen – als dat veilig is.”

Dus hebben de verloskundigen op dinsdag ook een avondspreekuur, voor vrouwen die nog niet met verlof zijn en overdag moeilijk van hun werk weg kunnen. En ze zullen nooit zeggen dat een vrouw beter thuis dan in het ziekenhuis kan bevallen. Ze vinden dat vrouwen het zelf moeten weten.

Anne Punt, 30 jaar, ruim 37 weken zwanger, zit dinsdagavond om acht uur in het gezondheidscentrum aan de Koningslaan te wachten tot ze aan de beurt is.

Haar man, Nanno van Putten, 37 jaar, zit naast haar. Hij is mee omdat ze vanavond met de verloskundige zullen bespreken waar de bevalling zal zijn. Ze hebben er nog geen besluit over genomen.

Nanno van Putten, vermogensbeheerder bij Fortis, zegt tegen zijn vrouw: „Voorop gesteld, het is jouw lijf en jouw beslissing. Dus als jij thuis wilt blijven, blijven we thuis.” Hij legt zijn hand op haar arm. „Maar ik vind wel dat daar een zeker risico aan verbonden is en in het ziekenhuis heb je meer zekerheid.”

Anne Punt, logopediste en taalkundige: „Dat is waar, maar ik vraag me af of het geen schijnzekerheid is.”

Boven, in de spreekkamer, doet verloskundige Verine Slippens – vier jaar in het vak – eerst de normale controles (bloeddruk, gewicht) en dan zegt ze: „Zo. En waar gaan we het doen?”

Anne Punt: „Ik weet het nog niet. Ik denk: thuis. En als het moet naar het ziekenhuis.”

„Mooi”, zegt Verine Slippens. „Dan beginnen we thuis. Maar als wij denken dat het niet gaat, of als jullie dat denken, dan gaan we naar het ziekenhuis.”

Het ziekenhuis in dit deel van Utrecht is meestal het Diakonessenhuis, waar in 2003 een nieuwe afdeling met kraamkamers is gekomen. Kraamsuites, zeggen de verloskundigen. Vaders kunnen er blijven slapen.

Sinds 2003, zeggen de verloskundigen, is daardoor het aantal vrouwen uit hun praktijk dat naar het Diakonessenhuis wil snel gestegen. En als de bevalling niet goed verloopt, komt er een gynaecoloog naar de barende vrouw toe. Dat maakt het Diakonessenziekenhuis ook aantrekkelijk.

Verine Slippens legt uit dat Anne Punt en haar man niet hoeven te bellen als de vliezen midden in de nacht breken en het vruchtwater helder is. „Ga dan maar weer rustig slapen”, zegt ze.

„Haha”, zegt Nanno van Putten. „Rustig.”

„Je mág wel bellen hoor”, zegt Verine Slippens. „Daar zijn we voor.”

Ze legt uit dat ze ook niet hoeven te bellen voordat de weeën twee uur lang elke paar minuten minuten komen en minstens een minuut aanhouden. „Is het maar twintig seconden, dan is het helaas nog niet het echte werk,” zegt ze.

Anne Punt: „Maar hoe weet ik nou wat een wee is?”

Verine Slippens: „Dat weet je echt wel hoor, als je ze voelt. Het komt en het gaat en je buikwand wordt keihard. Maar als jij na een uurtje denkt dat dit niet aan jou besteed is, dan kun je ons ook altijd bellen.”

Verloskundigen zijn, net als huisartsen, zogenaamde eerstelijnshulpverleners en het is wettelijk zo geregeld dat zwangeren altijd eerst naar hen toe moeten. Zorgverzekeraars houden dat ook graag zo, want verloskundigen zijn goedkoper dan gynaecologen.

Een thuisbevalling is ook goedkoper dan een bevalling in het ziekenhuis. Verloskundigen krijgen voor de begeleiding van een zwangere – vanaf het eerste consult tot en met de laatste controle, dus inclusief de bevalling – ruim 800 euro. Verzekeraars laten vrouwen die zonder medische indicatie in het ziekenhuis bevallen en een lage premie betalen, vaak zelf bijbetalen: 200 tot 400 euro per dag.

Dat zou de reden kunnen zijn waarom vrouwen van buitenlandse afkomst soms na het tweede of derde kind thuis willen bevallen. Het ziekenhuis is te duur. Bij hun eerste of tweede kind bevallen vrouwen van buitenlandse afkomst, net als veel vrouwen met een lage opleiding, bijna nooit meer thuis.

Er zijn nog andere redenen te bedenken waarom de thuisbevalling in Nederland gaat verdwijnen en de verloskundigen straks misschien allemaal in het ziekenhuis werken, ook al zeggen ze dat niet leuk te vinden.

De hogere leeftijd waarop vrouwen voor het eerst zwanger worden, bijvoorbeeld. Dat levert meer complicaties op. De toename van ivf. De toename ook van prenatale screening, waardoor zwangerschap medischer wordt en meer geassocieerd wordt met het ziekenhuis.

En dan is er nog de discussie over de vraag of thuisbevallingen wel veilig zijn. Die was er altijd al wel, maar werd weer feller in 2003, toen uit onderzoek bleek dat de babysterfte rondom de geboorte in Nederland hoger was dan in veertien andere Europese landen.

Eerst was iedereen verbaasd, want Nederland deed het toch zo goed? Daarna werd er gezegd dat het kwam door de thuisbevalling. En ook al bleek dat niet zo te zijn – drie van de vier baby’s die overlijden, overlijden kort voor de geboorte – de toon was gezet. De sterfte rondom de geboorte is in Nederland nog steeds relatief hoog en vorige maand stuurde minister Ab Klink (CDA) van Volksgezondheid een brief naar de Tweede Kamer waarin hij schreef dat dit moet veranderen. Er is een stuurgroep ‘Modernisering verloskunde’ ingesteld, met artsen, verloskundigen en mensen van de kraamzorg. Die doet óók onderzoek naar de voor- en nadelen van de thuisbevalling.

Marloes Biermans, 30 jaar, 37 weken zwanger, trekt wit weg als verloskundige Lisette Roelofs zegt dat haar bloeddruk „hoger is dan we van je gewend zijn”. Maar ze zegt niet dat ze schrikt. Ze zegt alleen, luchtig, dat ze veel moet plassen. „Dat komt denk ik door de druk van mijn buik.” Ze weet dat een hoge bloeddruk aan het eind van de zwangerschap kan duiden op een zwangerschapsvergiftiging.

„Ben je misselijk?”, vraagt Lisette Roelofs. „Hoofdpijn?”

„Alleen een beetje duizelig.”

Lisette Roelofs zegt dat ze straks nog een keer zal meten. En ze zal een urinetestje doen. Maar eerst mag Marloes Biermans op de onderzoekstafel gaan liggen.

Ze is musicologe. Haar man, Thomas Telkamp, zit in de IT-consultancy. Hij kijkt en luistert, maar hij zegt niets. Alleen als hij het hartje van de baby hoort, begint hij te stralen.

„Hier voel ik een voet”, zegt Lisette Roelofs. „Hier de billen, en even kijken, hier het hoofd, keurig ingedaald. Je denkt misschien: klein buikje, klein kindje. Maar je hebt niet zo veelvruchtwater en verder heb je het goed verstopt. Ik denk: 3.300 à 3.400 gram.”

Marloes Biermans: „Is het niet te weinig vruchtwater?”

„Nee hoor, niet te weinig.”

Marloes Biermans mag vandaag ook zeggen waar ze wil bevallen. „In het Diak. Als er plaats is. Ik heb vaak van vriendinnen gehoord dat ze uiteindelijk toch in het ziekenhuis terechtkwamen. Nou, dan ben ik er maar vast. En jullie gaan toch met ons mee?”

„Jazeker”, zegt Lisette Roelofs. „Je moet het doen waar jij je het prettigst voelt. Bespreek samen wat je belangrijk vindt tijdens de bevalling. Maak een plan” Ze praat over vruchtwater en over de eerste weeën. Ze vraagt een paar keer of er nog vragen zijn.

Na de tweede keer zegt Marloes Biermans: „Ja, eigenlijk wel.”

„Zeg maar hoor.”

„Ik hoop niet dat jullie denken: ze is moe, laten we maar knippen. Dat hoeft dus niet voor mij.”

„Dat denken we niet hoor”, zegt Lisette Roelofs. „We knippen alleen als het kind het moeilijk heeft.”

„Ja, dat is logisch.”

Dan meet Lisette Roelofs de bloeddruk nog een keer. Die is nog steeds te hoog. Maar er zit geen eiwit of suiker in de de urine. „Kom donderdag maar weer even terug”, zegt ze.

„Hoe komt het?”, vraag Thomas Telkamp.

„Het kan een verkoudheid zijn”, zegt Lisette Roelofs. „Of door slecht slapen. Of dat de bevalling niet lang meer op zich laat wachten.”

Later zegt Marloes Biermans dat het „nog best taboe is” om in het ziekenhuis te willen bevallen. Niet onder leeftijdgenoten, maar wel onder hun ouders en oudere collega’s. „Ze proberen je ervan te overtuigen dat een thuisbevalling zo ‘gezellig’ is, met kaarsjes aan en een leuk muziekje, fijn in je eigen omgeving.”

Misschien verkijkt ze zich erop, zegt ze. Maar haar lijkt bevallen toch vooral hard werken.

    • Esther Rosenberg
    • Jannetje Koelewijn