Afrikaners Simon Kuper column

Mijn oom kocht het boekje voor zo’n zeven euro bij zijn favoriete antiquariaat in Johannesburg. Dat is weinig voor een eerste editie van het Contrat social van Jean-Jacques Rousseau (Amsterdam, 1762), al is het boek ietwat toegetakeld omdat het de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog heeft meegemaakt. Maar nog spannender dan de tekst van Rousseau is wat er in de marges staat: handgeschreven aantekeningen, in het Nederlands, van de Boerenstrijder Deneys Reitz rond 1901.

Later zou Reitz Commando schrijven, de beroemdste Zuid- Afrikaanse oorlogsmemoires. Het boekje in mijn ooms studeerkamer in Johannesburg (twee inbraken thuis de laatste tijd) bevat dus de Hollandse oerversie daarvan. Daarmee is het een artefact van een taal (Afrikaans) en een volk (de Afrikaners) die nog rapper verdwijnen dan Nederlands en Nederland.

Als tiener vocht Reitz met de Nederlandse ‘Boeren’ van Zuid- Afrika tegen het Britse Rijk. Het Contrat social plunderde hij in september 1901 uit de tent van een Britse soldaat. ‘Ik kan geen Fransch maar ik dacht dat dit boek oud en waardevol zou blijken’, schrijft Reitz onderaan een pagina.

In het boekje krabbelt hij tijdens de oorlog korte geheugensteuntjes voor zijn toekomstige memoires. Zo noteert hij dat hij in de slag om de Spionkop vocht en er vele vrienden verloor. Hij verwijst naar een executie: ‘Op mijn verjaardag schoot ik de jonge Stewart en een jonge Hollander in de Blokhuis te Springbokfontein.’ Later belandt Reitz in exil op Madagascar, waar hij ironisch genoeg Frans leert.

Wat opvalt is hoe Hollands de Afrikaners toen nog waren. Familieleden van Reitz ontvluchten de oorlog naar Nederland, en na de oorlog krijgt hij als Afrikaner een ‘kleine ovatie’ op straat in Den Haag.

Maar de Afrikaanse verwijdering van Nederland is dan al begonnen. Als een oudere broer van Reitz een hoog-Nederlandse uitdrukking gebruikt, knokt Reitz met hem en scheldt hem uit voor ‘Hollander!’ En op de titelpagina van Rousseau schrijft hij een Boerenstrijdlied uit, dat een nieuwe taal huldigt:

Waar Tafel Baai beginne

Tot ver in die Transvaal

Woon een verenigd volk,

Een algemeene taal

….

Dit is ons moedertaal, dit klink voor ons zoo zoet

Ons ruil haar voor geen taal

....

Ons taal vergeet ons nooit

Al is ons volk verstrooid…

Mijn oma leerde op school in Zuid- Afrika nog Nederlands, maar in 1925 kroonden de Boeren het dialect Afrikaans officieel tot hun taal.

En nu verdwijnt die. Er zijn nog zo’n drie miljoen Afrikaners, ongeveer 7 procent van de Zuid-Afrikaanse bevolking, maar je hoort ze zelden meer sinds de apartheid viel. Vroeger runde ‘die volk’ Zuid- Afrika. Daarom doceerden veel scholen en universiteiten in het Afrikaans, en werkten bureaucraten in de taal. Nu is de staat grotendeels zwart. Zelfs Stellenbosch, de belangrijkste Afrikaanse universiteit, is tweetalig geworden.

Ons taal verdwijnt, en die volk lost op in de emigratie (hun tweede ‘Groot Trek’) of gemengde huwelijken. De deels Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee schrijft bijvoorbeeld Engelstalige boeken en is Australische staatsburger. ‘Ik ga provoceren: de Afrikaners sterven uit’, zegt de Afrikaanse antropoloog Sakkie Niehaus (die in Engeland doceert). Julian Roup, auteur van Boerejood, noemt de Afrikaners ‘geglobaliseerd’.

Voor Nederlanders (‘Nederland bestaat niet meer’) is dit een bekend verhaal. De vraag is echter in hoeverre Nederlanders en Afrikaners ooit hebben bestaan. Ze waren altijd al geglobaliseerd. De eerste editie van Commando, de klassieker van Deneys Reitz, verscheen in 1929 in het Engels.

Simon Kuperis schrijver, columnist en auteur van Retourtjes Nederland