50 Cent

Flashback. Ik ben nieuw. Tegenover mij zit een oudgediende ook op de pc te werken. Even verderop zitten twee collega’s na te kijken. Ieder aan een andere lange tafel, evenwijdig aan elkaar, turen zij zwijgend naar losse blaadjes. Regelmatig zetten zij een streep of een krul. Als een soort bezwering worden af en toe gelijktijdig blaadjes omgedraaid.

Dan komt collega nummer vier binnen. Hij praat tegen iedereen in het algemeen over een bepaald onrecht dat hem is aangedaan. Hij is woedend.

Ik weet niet of het beleefd is om geïnteresseerd op te kijken of juist net te doen of ik volledig opga in het maken van een opdracht voor 2A. De stem van de collega vibreert door de ruimte en vult ons arbeidzame bestaan.

’t Schijnt dat de NS-automaat hem elke maand 50 cent teveel rekent. Ik besluit dat het beleefd is om de boel eens goed te observeren. De pen van de collega die aan het nakijken was, hangt bevroren boven ’t papier. De andere collega heeft het nakijken gestaakt en stift haar lippen. Even daarvoor heeft ze kijkend in een spiegeltje met een tandenstoker haar gebit bewerkt.

De NS-man is nog steeds gevangen in zijn razernij en tiert verder. Ik ben bang dat de man een attaque zal krijgen en kijk als een echte ramptoerist wat er staat te gebeuren. Maar hij stampt weg.

Zou hij weten dat er een beroemde rapper is die 50 Cent heet? Vast wel.

Mijn collega tegenover mij heeft de hele tijd onverstoorbaar doorgewerkt.

“Hoe lang werk jij hier?”, vraag ik.

“Drie jaar.”

“Hoe houd je ’t vol?”, fluister ik.

Hij kijkt even om zich heen, buigt zich naar mij toe en zegt: “Veel sporten en veel seks.”

Als ik even later opgelucht op ‘printen’ druk komt een andere collega voorbij lopen op weg naar de postvakjes. We kijken elkaar even aan. “Dit zijn je glansjaren”, spreekt hij onheilspellend.

De opdracht voor 2A is rijkelijk geprint, dat kan ik u verzekeren.

Joyce de Grand