‘Zuid-Afrika wil ons hier niet meer’

Buitenlandse vluchtelingen in Zuid-Afrika moeten terug naar de wijken waar ze uit werden verjaagd, vindt de regering. Dat is zelfmoord, zeggen de vluchtelingen.

Somalische vluchtelingen bij het kamp Soetwater op Kaap de Goede Hoop. Foto Henner Frankenfeld Frankenfeld, Henner

Nimco Ahmed is de enige die terug durft naar Kraaifontein, de verpauperde buitenwijk in de Kaapse Vlakten. Niet om er te gaan wonen. ,,Dat is zelfmoord’’, heeft ze eerder gezegd. Maar om te laten zien wat de voormalige buurtbewoners haar en haar familie hebben aangedaan. ,,Ik zal je de schuldigen aanwijzen’’, zegt ze manhaftig. ,,Een voor een.’’

Nimco is de luidruchtigste van alle Somalische vluchtelingen in het vluchtelingenkamp Soetwater op de uiterste punt van Kaap de Goede Hoop. En daar is bijna iedereen luidruchtig. Ze kunnen hier eindeloos verhalen van het leven op de Kaap, een van de grootste toeristentrekpleisters van Afrika. Over de meedogenloze zuidoostenwind die – nu de winter nadert – ongenadig over de landtong jaagt en de ijskoude golven van de Atlantische Oceaan metershoog de lucht in zwiept. Of over het zeewier vol insecten en de spekgladde rotsen waarop de kinderen spelen. ,,Leuk om naar te kijken, niet om op te wonen’’, zegt Nimco.

De 3.000 vluchtelingen in dit kamp willen zo snel mogelijk weg. Daar is geen twijfel over mogelijk. ,,We zijn geen honden’’, zeggen de Somaliërs luid, en vaak. Maar hun volgende bestemming is niet wat de Zuid-Afrikaanse regering in gedachten heeft. Deze week namen de verantwoordelijke ministers en de spindoctors van president Mbeki het woord ,,herintegratie’’ opvallend vaak in de mond, opdat de buitenlanders zo snel mogelijk terugkeren naar de wijken waar ze met geweld werden verjaagd. Zuid-Afrika moet weer het land worden dat het de afgelopen veertien jaar was: toeristentrekpleister nummer één op het continent, investeerderslieveling, gastland van het wereldkampioenschap voetbal in 2010.

Voor herintegratie is het te laat. De vluchtelingen hebben de afgelopen dagen vergeefs geprobeerd die boodschap over te brengen naar de parlementsgebouwen in Kaapstad en de regering in Pretoria. Omdat geen van de verantwoordelijke ministers de afgelopen dagen in Soetwater kwam kijken, belegden de vluchtelingen woensdag een persconferentie in de King of Kings Baptistenkerk om de hoek van het kamp. Zimbabwe, Burundi, Congo, Mozambique, Ethiopië, Tanzania, Malawi en Somalië waren vertegenwoordigd. ,,Stuur ons naar een land dat ‘welkom’ zegt tegen buitenlanders’’, was daar de boodschap. ,,Stuur ons desnoods terug naar de oorlog en de honger waar we vandaan kwamen. Het is duidelijk: Zuid-Afrika wil ons niet meer.’’

Omdat ook daar geen bestuurders kwamen luisteren neemt Nimco Ahmed nu het voortouw om te laten zien wat ,,herintegratie’’ zou betekenen. Ze slaat haar burqa over haar hoofd, zodat alleen haar ogen zichtbaar zijn. Zo zal de buurt haar niet herkennen, hoopt ze. In de auto naar Kraaifontein vertelt ze haastig het drama van de zeventien jaren sinds haar geboorte. De oorlog in Mogadishu ontvlucht, een broer, een neef en een nicht verloren. Van Kenia naar Tanzania, naar Zambia, naar Mozambique en toen naar Zuid-Afrika gevlucht. Haar man heeft ze sinds de gewelddadigheden in Kaapstad, twee weken geleden, niet meer gezien. Het loopt parallel met het verhaal van bijna alle Somaliërs in Soetwater. Altijd op de vlucht, altijd opgejaagd.

,,Wat de Zuid-Afrikaanse regering niet wil begrijpen’’, zegt ze als de auto langs de kilometerslange krotten rijdt, ,,is dat we sinds de dag dat we hier neerstreken worden geslagen, afgeperst en vermoord.’’ Vorig jaar kwamen er al veertig Somaliërs om het leven bij geweld tegen buitenlanders in de wijken rond Kaapstad en Port Elizabeth. Het succes van de Somalische kooplui wekt al veel langer jaloezie in de sloppenwijken.

Nimco laat de auto stoppen voor een van de vier winkels die haar familie in Brakkenveld bezit. Ramadaan heet de winkel. ,,De huisbaas is politieman, maar hij deed niets om ons te beschermen.’’ De vrouw die nu achter de balie staat in Ramadaan rent de winkel uit op het moment dat ze Nimco in de gaten krijgt. In de achterkeuken slaat ze een gordijn om haar gezicht, zodat ze niet herkend kan worden. Ze zwijgt als haar wordt gevraagd van wie de winkel is.

,,Zie je die man in zijn zwarte T-shirt’’, wijst Nimco naar de overbuurman. ,,Dat is de man die elke maand 500 tot duizend rand (zestig tot 120 euro) beschermingsgeld komt aftroggelen. Ook vorige maand heeft hij nog 500 rand opgehaald, anders zouden we worden aangevallen. Twee weken later stond de meute voor de deur.’’

De wijk is besmet. Nimco laat het ze voelen. Als een van de buurvrouwen haar om de schouders valt en een zoen op haar wang drukt, bitst ze in Xhosa: ,,Waarom heb je me niet geholpen? Waarom heeft geen van jullie iets gedaan?’’ De winkels zijn geplunderd. Een klerenkast staat midden op de straat, een straathond is in de luie stoel van de familie Ahmed in slaap gevallen. ,,Hoe kan ik deze mensen ooit nog in de ogen kijken’’, zegt Nimco. ,,Hoe kan ik hier ooit nog terugkomen?’’