Zelfhaat zit hem in de weg

De voorstelling ‘Molière’ van de Vlaamse regisseur Luk Perceval is een collage van vier van zijn beroemdste komedies. „Zijn hoofdpersonen zijn eigenlijk zelfportretten, van een tragische figuur die wanhopig zoekt naar een vrouw en naar balans in zijn leven.”

De voorstelling ‘Molière’, in de regie van Luk Perceval, met centraal hoofdrolspeler Thomas Tieme en Patrycia Ziolkowska. Foto Schaubühne am Lehniner Platz Molière Gesprek met regisseur Luk Perceval over zijn collagevoorstelling ‘Molière’ in het Holland Festival. 6-7 SchaubŸhne am Lehniner Platz/Salzburger Festspiele 2007/Regie Luk Perceval/BŸhne Katrin Brack Horn, Matthias;Schaubühne am Lehniner Platz

Bakken sneeuw. Het sneeuwt urenlang in de voorstelling Molière en als je daar een tijdje in tuurt, dan gaat de witte vloer golven en dalen, de muren van het theater stijgen. Dankzij de sneeuw voelt Molière als een trip, een hallucinerende ervaring. Regisseur Luk Perceval: „Ik schets een koude wereld, waarin iedereen geïsoleerd leeft. De sneeuw staat ook voor het gestolde verlangen. En zo’n witte omgeving maakt de mens naakt. Het toont hem in al zijn schoonheid en lelijkheid. Dat alles hebben we er overigens later bij bedacht. We vonden het gewoon mooi.”

In Molière van de Berlijnse Schaubühne maakt Perceval een collage van vier komedies van Molière en de biografie van de 17de-eeuwse Franse schrijver. De voorstelling, die vorig jaar in première ging op de Salzburger Festspiele, wekte veel bewondering en weerstand in het Duitstalige theater.

De hoofdpersoon ‘Er’ (‘hij’), gespeeld door Thomas Thieme, is een verbitterde man op zoek naar liefde. Hij brult, gromt en blaft met veel herhaling in een microfoon. In een eindeloos durende doodsstrijd eindigt hij schreeuwend en reutelend: „Liebe ist... Liebe ist... Liebe ist... Liebe ist... Liebe ist...” De voorstelling is dit weekeinde te zien op het Holland Festival in Amsterdam.

April, Berlijn: Molière wordt gespeeld

voor het thuispubliek, dat slechts beperkt is komen opdagen. Het theater van de Schaubühne aan de Kurfürstendamm lag ooit in het hart van de stad, maar sinds de hereniging van de twee helften van Berlijn is het centrum een flink eind naar het oosten opgeschoven. Nu ligt het theater aan de rustige buitenrand. Dat is volgens Perceval te merken aan de bezoekcijfers. Op een Italiaans terras aan de overkant legt hij uit wat hij met Molière beoogt: „De verhalen van Molières komedies vond ik niet interessant, dat zijn opgerekte caféwitzen. Maar toen ik ze achter elkaar las, bleek dat ze allemaal om één sterk personage draaien, een tragisch figuur die diepte aan de verhaaltjes geeft. Die maakt de stukken interessant. Als de hoofdpersoon van het podium is, zakt de voorstelling in. En al die personages lijken op elkaar: ze zijn in feite steeds dezelfde man die als een waanzinnige op zoek is, op het zelfdestructieve af, naar een vrouw, naar evenwicht in zijn leven. Maar zijn zelfhaat staat hem in de weg. De mensenhater, Don Juan, Tartuffe en de vrek: zelfhaat bepaalt hoe ze in het leven staan. Ze vinden wel steeds een vrouw, maar die zegt uiteindelijk: met jou valt niet te leven.”

Perceval heeft de stukken zo achter elkaar gezet dat je ze als de verschillende fases in het leven van één man kunt zien: „In de eerste fase, als de mensenhater, komt hij niet verder dan zijn zelfhaat. Ik maak van hem een stand-up comedian à la Lenny Bruce, die is uitgekeken op zijn vak en het succes. Hij slaat zijn publiek om de oren met verwensingen van de leugen, maar zonder vuur: hij gromt zijn teksten vol zelfwalging in de microfoon. Dan wordt hij Don Juan: de cynische consument van de liefde die zichzelf te pletter neukt. Maar zijn levenswil is sterker dan zijn doodsdrift. Na de pauze verandert hij in Tartuffe, de nepgoeroe die de maatschappij bespeelt als een instrument. Hij verhandelt liefde als object van consumptie. Dan eindigt hij als de vrek, een man die alleen maar aan geld denkt, en zijn familie prostitueert.

Perceval kleedt zijn actrices als ‘tippelaarsters’, ‘sekswerkers’. „Ik begin met een utopist, die strijdt voor de waarheid, en eindig met een man in luiers die alleen nog maar over geld praat. Voor de pauze is hij iemand die door de maatschappij wordt uitgesloten, na de pauze is hij de man die de maatschappij naar zijn hand zet. Zo schets ik na de pauze een maatschappij die volledig valt voor de hoer van Babylon.”

En al die mannen zijn volgens Perceval in feite zelfportretten van schrijver Jean-Baptiste Poquelin (1622-1673), bekend onder zijn artiestennaam Molière. Volgens Perceval was Molière een mislukt tragedieschrijver: „Hij wilde zijn zoals zijn collega Racine, maar dat lukte niet. Dus trok hij weg uit Parijs, de provincie in, en stopte zijn verbittering in cynische komedies. Diep onder de spot zat de zelfspot. Hij wilde zichzelf te kakken zetten. Molière schijnt een groot acteur te zijn geweest, die in zijn eigen stukken speelde. Ik neem aan in de hoofdrollen. Zijn melancholie heeft hij omgezet in zelfspot, die hij zo luid uitschreeuwde, dat hij erbij neerviel. Zo heeft hij zichzelf opgebrand op het podium, totdat hij tijdens een opvoering van De ingebeelde zieke, voor koning Lodewijk de veertiende, instortte, en vlak daarna stierf.”

Het helpt enorm om Perceval het stuk te horen uitleggen, want het verband tussen de verschillende delen is op het podium niet altijd duidelijk. De vorm is ontoegankelijk. Alleen na de pauze, het begin van Tartuffe, zit een echte speelscène. De rest is in feite één lange, beschouwende, associatieve monoloog van acteur Thomas Thieme, de andere spelers dienen als koor. En Thieme presenteert zich op zijn onaantrekkelijkst. Wie denkt met de sneeuw in een soort kerstsfeer te belanden, komt bedrogen uit: dit is hard en cynisch toneel dat veel vergt van de toeschouwer.

Het begint al met een flinke werklamp die de mensen in het gezicht schijnt. Perceval: „Deze voorstelling is een drieluik van een dodendans. Het gaat over iemand die zichzelf verbrandt en eindigt als een demente hoop vlees, met zijn familie om zich heen, die ongeduldig op het einde wacht. Het publiek moet denken: in godsnaam, geef die man een spuit.”

De voorstelling wordt gedragen door Thieme, die met Perceval werkt sinds deze in 1999 in Duitsland doorbrak met het twaalf uur durende Schlachten, de Duitse versie van Tom Lanoye’s Ten Oorlog. In Schlachten speelde Thieme de rol van Richard III. Later speelde hij koning Lear in Percevals L. King of Pain. Perceval: „Thieme staat in het Duitse theater bekend als de toneelspeler die nooit speelt, die gewoon zichzelf is. Der Leibschauspieler. Zo’n krachtige, aardse man had ik nodig om het stuk vlees en bloed te geven, een speler die tragiek en humor in zich verenigt, die mens pur sang is.”

Over de sneeuw waar de toeschouwer urenlang in moet turen, zegt Perceval: „Mijn vaste decorontwerper Katrin Brack en ik hebben een groeiende afkeer van het illustratieve decor. Zij maakt daarom steeds vaker abstracte installaties. Ze heeft ook een Tsjechov gemaakt waarin het decor alleen uit rook bestond. Ik wilde iets met een oer-element, het liefst met vuur, maar dat was om praktische redenen te ingewikkeld. Toen kwamen we op sneeuw. Dat het zo hypnotiserend zou werken, wisten we niet van tevoren. De suggestie dat de vloer en de muren bewegen, komt doordat je met al die vallende vlokken voor je ogen geen diepte kunt focussen.”

In de oorspronkelijke versie in Salzburg duurde de voorstelling zo’n vijf uur. Nu nog maar drie uur en vijftien minuten, inclusief pauze. Wat is er gebeurd? Perceval: „Omwille van het Berlijnse publiek is er een pauze en meer dan een uur uitgehaald. Ik vind dat jammer. Samen met collega Frank Castorf heb ik de marathonvoorstellingen een blijvende plaats in het Duitstalige theater gegeven, waarmee we eerlijk gezegd ook medeverantwoordelijk zijn voor de teruglopende bezoekcijfers. Maar ik houd van marathonvoorstellingen, waarbij je helemaal opgaat in de voorstelling en de tijd vergeet: een voetbalfinale met verlenging, een Ausnahmezustand. Na Schlachten applaudisseerden publiek en acteurs voor elkaar. Ze leverden samen een prestatie, dat verbroedert. Het schijnt een oude caféwet te zijn dat je in kroegen nooit een klok moet ophangen. Het theater moet ook zo’n tijdloze ruimte zijn. Die sneeuw in Molière geeft trouwens ook zo’n tijdloos gevoel.”

Niet alle toeschouwers in Berlijn konden zo makkelijk de tijd loslaten. Na de pauze bleven veel plaatsen in de Schaubühne leeg en tijdens de slotmonoloog ‘Liebe ist’ verlieten nog meer mensen de zaal. Molière is niet bepaald een gezellig avondje uit. Vanwaar toch Percevals behoefte om de mensen dit allemaal zo somber en smerig in het gelaat te werpen? „Het is geen amusement, nee. Laatst zag ik een reclame met een man die lachend en fluitend in zijn bed lag met zijn laptop. Ik ken niemand die gelukkig achter zijn laptop zit. In een stad als Berlijn moet iedereen keihard werken en enorme afstanden afleggen. De uitputting onder de Berlijners is groot. De mens wordt gedreven door depressie en het theater is de enige plaats waar hij dat kan delen. Misschien is het wel typisch Vlaams, de behoefte om de mens met zijn blote gat uit het raam te tonen, zoals Breughel dat al deed.”

Toch is het niet Percevals bedoeling om het publiek met een rotgevoel naar huis te sturen. Molière gaat over verlangen. In de voorstelling speelt Patrycia Ziolkowska de rol van de beschermengel, het meisje dat de man troost en tot het eind toe begeleidt. Perceval: „Zij staat voor de eeuwige jeugd, het eeuwige verlangen. Maar er is ook een scène waarin ze hem baart. Bovenal staat zij voor het oer-instinct van de mens: om elkaar in het leven te beschermen. Deze week heeft een vriend van mij onverwachts zelfmoord gepleegd, Laurent Simonetti, die de muziek voor Molière heeft gemaakt. De hele spelersgroep is er ontdaan van; de voorstellingen die we nu spelen, zijn daarom atypisch. Nu merk ik hoe we in zo’n situatie terugvallen op het groepsgevoel. Wanneer mensen zich in een catastrofe bevinden – wederom de Ausnahmezustand – hebben zij de drang om elkaar vast te houden, elkaar te helpen, te koesteren, te beschermen.”

In het programmaboekje wordt de man in Molière een Elkerlyck genoemd: iemand die staat voor de hele mensheid. Hij leeft en sterft nogal ellendig. Is dat het lot van de mens? „Niet van iedereen, maar wel van tachtig, negentig procent. En of je daar bij hoort, heb je niet zelf in de hand. Alles wat goed gaat, is een geschenk, je weet nooit wat je krijgt. Dus moet je respectvol met dit leven omgaan, en streven naar liefde en harmonie.”

De slotmonoloog ‘Liebe ist’ is volgens Perceval niet alleen om de toeschouwers te ergeren, maar ook om een hoopvol inzicht te delen: „Gedurende de voorstelling geeft de man steeds nieuwe definities van de liefde, die niet bevredigend zijn. Hij eindigt in totale vertwijfeling en komt dan tot een soort boeddhistische waarheid: liefde is liefde is liefde is liefde.”

‘Molière’ morgen en zondag in de Stadsschouwburg Amsterdam. Duits gesproken met boventiteling. Info 020-5237787 of www.hollandfestival.nl.