Vooral omdat Aleid Wolfsen de burgemeester van Utrecht is

Allereerst: uren nadat ik mijn column van gisteren had ingeleverd, schrok ik middenin de nacht wakker en riep: ‘Aleid Wolfsen!’

Ik had een column ingeleverd waarin stond dat Jacques Wallage een romantisch fietstochtje door Utrecht had gemaakt met Guusje ter Horst, ter promotie van een anti-fietsdiefstalcampagne. Maar middenin de nacht schoot er een gedachte mijn hoofd in: dat het niet Jacques Wallage was geweest, maar Aleid Wolfsen. Daarna kon ik niet verder slapen, en dacht ik alsmaar hoe stom ik was geweest. Vooral omdat Aleid Wolfsen de burgemeester van Utrecht is, en hij zijn ambtsketting om had. En omdat Guusje ter Horst alsmaar ‘Aleid’ tegen hem had gezegd. Waarom zou een vrouw die bij haar volle verstand is, een man die Jacques heet, Aleid noemen?

Om één uur begon een stel jonge mannen hard tegen elkaar te schreeuwen bij het buurthuis bij mij in de straat. In dat buurthuis wordt volksdansen gegeven, en fietsles voor moslimvrouwen, maar daar hadden deze jongeren niets mee te maken. Zij stonden gewoon te schreeuwen voor de lol. Maar het was wel één uur ’s nachts. Ik vind het best aardig om in een probleemwijk te wonen, maar ik heb geen zin in schreeuwende jongeren middenin de nacht. Dat is net iets teveel probleemwijkrealiteit voor mij. Dus stelde ik me op bij het raam om de jongeren nader te kunnen bekijken. Waren het types tegen wie ik kon schreeuwen dat ze moesten ophoepelen, zonder dat ik daarmee direct mijn eigen leven in gevaar bracht?

Ik kon ze niet goed zien. Wel werd hun geschreeuw alsmaar luider. Het was duidelijk dat ze dronken of stoned waren. Ik dacht aan het vriendelijke briefje op het raam bij de Surinaamse afhaal om de hoek: ‘Beste mensen. Gelieve hard drugs buiten te doen. Wij willen ook geen gezeur met de politie!!!!!’ Misschien moest ik maar niets roepen.

Toen deed ik iets wat ik nog nooit gedaan heb. Ik belde de politie. ‘Er staan jongeren te schreeuwen in mijn straat,’ zei ik. Alles werd genoteerd: mijn adres, en hoeveel jongeren het waren. (‘Zes’ zei ik op de gok.) Toen wenste de politieagent mij een goede nacht. Ik vroeg wanneer het wijkteam zou uitrukken. ‘Ik weet niet of ze komen’, zei de agent.

Het geschreeuw hield nog uren aan. De politie kwam niet. Ik sliep niet, en dacht aan Aleid Wolfsen.

    • Aaf Brandt Corstius