TOFIK DIBI GROTE MENSEN ETEN GEEN SNOEP

Tofik Dibi moest al jong volwassen worden, maar woont nog steeds thuis. als tweede kamerlid voor groenlinks neemt hij het op tegen geert Wilders, die volgens hem angstpolitiek bedrijft. Dibi wil daar tegenwicht aan bieden: de humor moet terug in de debatten.

Angst is overal in de politiek, zegt Tofik Dibi (27). Als Tweede Kamerlid voor GroenLinks wordt hij er dagelijks door omringd. Hij somt op: ‘De SP is bang om mee te regeren, vuile handen te maken en op concrete resultaten afgerekend te kunnen worden. De PvdA is sinds Pim Fortuyn bang om ‘soft’ over te komen, schaamt zich voor haar eigen verleden en verwaarloost haar idealen. De VVD is bang voor Wilders en Verdonk. GroenLinks, mijn eigen partij, is dat ook: wat als straks de verrechtsing een nieuw hoogtepunt bereikt en slogans het winnen van soms ingewikkelder geformuleerde oplossingen? Wilders en Verdonk zijn zelf niet bang, maar ze bedrijven wel angstpolitiek. Wilders doet dat door moslims overal de schuld van te geven. Verdonk doet het door cijfers te manipuleren, bijvoorbeeld door het percentage criminele allochtone jongeren veel hoger te maken dan het is en door zondebokken aan te wijzen: ‘ze’ willen overal slavernijmonumenten. Nou, Nederland heeft precies twee slavernijmonumenten, eentje in Amsterdam en eentje in Middelburg. En als je echt trots op Nederland bent, neem je ook verantwoordelijkheid voor de donkere bladzijden uit je geschiedenis.’

Tofik Dibi is nog niet zo lang politicus. In september 2006 kwam hij tot zijn eigen verbazing als nieuweling op nummer zeven van de kieslijst van GroenLinks terecht en twee maanden later kon hij de Tweede Kamer in. Dibi was, en is, student: zijn opleiding Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam is een onvoltooid project. Hij gaat zijn master nog halen, op een dag. Maar zo’n baan in de Kamer slokt alles op. We spreken elkaar op een maandagavond in de Eerste Klas-restauratie van het Centraal Station in Amsterdam: half acht, hij komt net terug uit Den Haag. De Tweede Kamer vergadert niet op maandag, maar dat betekent niet dat er niets te doen is. Dibi drinkt ijsthee, en wipt zorgvuldig de verplichte stukjes tonijn uit een pastasalade.

In de weken rond het verschijnen van Geert Wilders’ film Fitna, eind maart, was je opeens voortdurend in de media. Tot die tijd mengde je je niet echt in het debat over de islam. Waardoor veranderde dat?

‘Toen ik Kamerlid werd, zei ik tegen GroenLinks dat ik juist een neutrale portefeuille wilde. Dat leek me pas écht een teken van integratie, als een jong Kamerlid van allochtone afkomst zich met milieu zou bezighouden, of zorg, of onderwijs. Het werd onderwijs, onder meer, en daar heb ik me als lid van de onderzoekscommissie onder leiding van Jeroen Dijsselbloem hard voor ingezet. Weekends doorhalen was dat, eindeloze stapels papier. Ik ben trots op mijn aandeel in dat onderzoek. Maar het integratiedebat heeft dit land nu eenmaal in zijn greep. Helaas. En het is een debat tussen doven. Ik moest gewoon van me laten horen. Ik werd steeds vermoeider, maar telkens als ik dreigde in te zakken, belde er weer een journalist en dan leefde ik op. Sinds Fitna ben ik een veel bekender Kamerlid. Tijdens debatten word ik vaker geïnterrumpeerd, dat is wel grappig. Vroeger dachten ze ‘laat die jongen maar praten’, nu doen mijn woorden er misschien toe. Ik heb een soort positie gekregen. Ik word ook vaker herkend in het openbaar. Verreweg de meeste reacties zijn positief, soms gebeurt er iets rottigs. Ik zou het heel erg vinden als dat laatste zou gaan overheersen.’

Je positie in het Fitna-debat was een genuanceerde: je verdedigde je eigen geloof, maar je nam het ook op voor Geert Wilders.

‘Wilders is moedig. Hij zal me altijd op zijn pad vinden, maar het is verschrikkelijk dat hij bedreigd wordt voor zijn overtuigingen. Ik wil niet in een land wonen waar bepaalde films niet gemaakt mogen worden. Daarom heb ik me ook aangesloten bij de Internationale Socialisten, toen zij waren gearresteerd om hun anti-Wilders-posters [zie kader]. Ik heb samen met hen voor de vrijheid van meningsuiting gedemonstreerd. Toen ben ik zelf opgepakt.’

Was je toen bang?

‘Ik krabde me wel even op mijn achterhoofd, ja. Het zijn toch echt gezagsdragers die dan op je afkomen. Maar ik heb nog nooit zo zeker geweten dat ik het goede deed. Het is een krankzinnige ervaring om in een cel te zitten. Mijn mobieltje stond gewoon aan, ik denk niet dat de politie dat in de gaten had, dus ik was voortdurend aan het bellen. Iedereen vond het heel erg wat er gebeurd was. De agenten die me arresteerden, lieten ook wel merken dat ze het er eigenlijk niet mee eens waren, dat het een bevel van het Openbaar Ministerie was. Na twee uur kwam ik vrij en wandelde ik gewoon weer naar huis, als Tofik. Maar de wereld zag er anders uit. Er was een ‘voor’ en een ‘na’. Heel vreemd.’

Wie zijn je helden?

‘Als kind verslond ik de boeken van Roald Dahl. Matilda, De reuzenperzik, De Griezels, De Heksen: in al die verhalen komen moedige, eigenwijze kinderen voor, die hun eigen levenspad kiezen. Een van mijn lievelingsfilms is nog altijd Home Alone, waarin Macaulay Culkin een slim jongetje speelt dat het in een groot huis opneemt tegen twee dieven. Die film – misschien zou ik hem nu kinderachtig moeten vinden, maar ik vind hem nog steeds zó grappig, zo onschuldig. En hij gaat over heel wezenlijke dingen. Over zelfstandigheid. Over familiebanden en hoe moeilijk het is om je daarvan los te maken. Dat jongetje is alleen thuis omdat hij niet met het gezin mee op vakantie wil. De twee dieven staan voor mij symbool voor de obstakels die je in het leven tegenkomt. Ik heb de grotemensenwereld altijd nogal saai gevonden, beperkt. Grote mensen eten geen snoep meer; als kind vroeg ik me af waarom dat was. Hun leven heeft niets spontaans meer, het is een routine geworden. Ik kreeg al heel jong volwassen verantwoordelijkheden. Ik was de goede leerling van het gezin, het vwo-kindje. Dus als er formulieren moesten worden ingevuld, deed ik het. Als er een ouderavond op school was, ging ik erheen. Als we in geldnood kwamen, stond ik de deurwaarders te woord. Juist omdat ik al zo lang in de volwassen wereld leef, zie ik er nu de betrekkelijkheid van in. Mensen zijn bang voor veranderingen. Ze willen zekerheid, terwijl er helemaal geen zekerheden bestaan. Ik heb vrienden die zich zo blauw sparen dat ze niet meer van hun inkomen genieten. Maar wat betekent geld als je er niks mee doet? Juíst in Nederland, waar we het zo goed hebben, moet je dat ook vieren en het laten zien. Ik wil risico’s nemen. Ik wil geen standaard-Kamerlid zijn. De humor moet terug in de debatten. Wat dat betreft lijk ik op mijn moeder: die is nu bijna vijftig, maar ze is ook nog steeds een meisje. Hoe zwaar de omstandigheden ook zijn, ze kan nog lachen en rare grappen uithalen.’

Je vader overleed toen je tien was. Wat voor een man was hij?

‘Mijn vader was een avonturier. Rond zijn dertigste ging hij zonder duidelijk plan van Marokko naar Nederland, op zoek naar een beter leven. Mensen vergeten vaak hoeveel moed het vergt om te emigreren. In Marokko had mijn vader het niet slecht, zijn familie had een groot stuk land. Maar hij vond het saai. Hij zag beelden van het Westen op televisie en in de bioscoop. Hij nam een tatoeage, droeg een oorbel en rookte shag. In Nederland vond hij als technicus werk in de bouw en kreeg hij twee kinderen met zijn Nederlandse vriendin. Later trouwde hij met mijn moeder en kreeg hij nog vijf zoons. Eentje is heel jong overleden. Ik ben nummer drie. Voor zijn kinderen was mijn vader ambitieus. Hij leerde ons om zelfstandig na te denken. Hij was moslim, maar wij hoefden niet te bidden en mijn moeder droeg geen hoofddoekje. Mijn broers en ik gingen in Vlissingen naar een katholieke basisschool en leerden zo ook bijbelverhalen kennen. Ik heb toen ik wat ouder was zelf voor de islam gekozen. Ik was zeven toen mijn ouders gingen scheiden; dat was toen nog uitzonderlijk in Marokkaanse kringen. Mijn broers en ik bleven bij mijn vader in Zeeland wonen. Drie jaar later overleed hij aan een hartinfarct en toen gingen we naar mijn moeder in Amsterdam. Zo wonen we nog steeds; alleen mijn oudere broer Jamal is het huis uit. Hij is profvoetballer.’

Waarom ga je zelf niet uit huis?

‘Ik ben er bang voor… Het is heel gek. Ik ben een zelfstandig persoon, daar ligt het niet aan. Ik kan goed op mezelf wonen en verdien genoeg. Ik heb al eens een half jaar in mijn eentje in New York gezeten. Mijn weerzin om uit huis te gaan heeft met mijn familie te maken. Mijn moeder, broertjes en ik hebben samen zoveel meegemaakt, dat geeft een hechte band. Mijn moeder heeft alles voor ons overgehad. Ik vind het oneerlijk om haar te verlaten nu ik zelf mijn zaakjes op orde heb. En ik ben bang dat ze eenzaam zou worden als al haar kinderen weg zouden zijn.’

Wat heb je in New York gedaan?

‘Van mijn vrijheid genoten! Ik was 21 en iedereen gunde het me dat ik een half jaar vrij zou zijn. Ik had het gepland als een soort grapje, niet serieus, maar toen ik met familie en vrienden in de taxi naar Schiphol zat, merkte ik dat het voor hen een big deal was. De meeste mensen zouden zoiets wel wíllen, een half jaar zonder verantwoordelijkheden naar New York, maar ze doen het niet. Ik had daar al snel een clubje vrienden met wie ik bijna elke avond uitging. Ik heb mijn ogen uitgekeken. Ik werd voortdurend aan drugs blootgesteld, maar mijn vrienden wisten dat ik ze niet wilde gebruiken. Te eng. Op een dag zei ik tegen ze: luister, ik wil wel een halfje. Xtc was dat. Het effect was enorm: ik wilde iedereen knuffelen, ik voerde gesprekken met vreemden, tegen mijn vrienden was ik héél openhartig. Ik had het gevoel dat ik heel veel liefde te geven had. Het bleef bij een paar keer. Het waren geen slechte ervaringen, maar ik wist al snel dat het genoeg was. Toen wilde ik ook weer naar Nederland terug. Eenmaal hier was ik veranderd. Ik was doelgerichter: ik wist dat ik regisseur wilde worden, ik schreef me in bij de UvA, heel strak allemaal. In New York had ik gezien hoe hard iedereen voor zijn eigen ding ging. Als je daar niet het onderste uit de kan haalt, kom je in de goot te liggen. Dat werkte aanstekelijk.’

Je wilde regisseur worden, maar je bent nu politicus. Hoe ging dat?

‘De politiek is voor mij gaan leven toen ik Pim Fortuyn er op televisie over hoorde praten. Ik was het niet met hem eens, maar hij bracht het spannend, niet saai. Ik was toen een typische luie student – ik haalde al mijn tentamens, maar ik stond laat op. Op dinsdag begon mijn dag op de een of andere manier altijd met het vragenuurtje van de Tweede Kamer op televisie. Toen ontwaakte er iets in mij; ik ging álle politiek op tv volgen. Nadat ik Femke Halsema in een actualiteitenprogramma gezien had, besloot ik om lid te worden van GroenLinks. Zij vertolkte wat ik vond. Ik was toen wel al maatschappelijk actief, in mijn buurt Slotervaart en in de Turkse Arbeidersvereniging. Ik had al met veel lawaai van me laten horen op bijeenkomsten waar Rita Verdonk sprak, toen de minister voor Vreemdelingenbeleid. Jongeren in Nederland moeten zich realiseren dat ze alles kunnen bereiken wat ze willen, als ze er maar voor gaan en zichzelf presenteren. Zo ben ik ook op GroenLinks afgestapt, door tegen mezelf te zeggen: ‘Ik ben Tofik Dibi en ik kan dit handlen. Ik ga niet meer wachten op een ander. Ik kreeg opeens moed.’