Protectionisme is oorzaak voedselcrisis

Biobrandstofprogramma’s, met name het Amerikaanse programma voor de productie van ethanol uit maïs, zijn een handige zondebok voor de hogere voedselprijzen, die een negatieve invloed uitoefenen op de arme landen, waar soms wel 50 procent van de inkomens aan voedsel wordt besteed. Maar protectionisme en het overdadig scheppen van geld zijn belangrijkere oorzaken.

De Amerikaanse inspanningen op biobrandstofgebied hebben er uiteraard toe geleid dat een deel van het graanaanbod van de wereldmarkt is verdwenen, waardoor de prijzen stijgen. Maar de Amerikaanse landbouwsubsidies bevorderen in het algemeen een buitensporige voedselproductie, en een groot deel van de landbouwgrond die voor de ethanolproductie is bestemd werd voorheen helemaal niet gebruikt. Dus hoewel de Amerikaanse biobrandstofsubsidies contraproductief zijn als het gaat om het zo doelmatig mogelijk produceren van ethanol, hebben ze de wereldgraanprijzen waarschijnlijk slechts marginaal beïnvloed.

Buiten de Verenigde Staten en de Europese Unie hebben biobrandstofprogramma’s eveneens weinig effect op de mondiale honger. Het Braziliaanse programma voorziet in de doelmatige productie van ethanol uit suikerriet, dat slechts een marginale betekenis heeft als voedingsmiddel voor de hongerenden. Als de Verenigde Staten de vrije import van suikerriet zouden toestaan, zou de tropische productie van suikerriet voor biobrandstoffen toenemen, zodat arme mensen met weinig werk in hun levensonderhoud zouden kunnen voorzien zonder rampzalige gevolgen voor de voedselproductie.

De grootste hinderpalen voor een efficiënte werking van de mondiale voedselmarkt zijn nog steeds de traditionele. De VS, de EU en Japan subsidiëren hun landbouwproductie, waardoor ze de drempel tot hun markten verhogen en de mogelijke productieprijzen voor de meest kosteneffectieve producenten uit de arme landen verlagen. Caraïbische suikerproducenten, katoenverbouwers uit Mali en anderen worden door deze programma’s in hun werkgelegenheidskansen gehinderd.

Het protectionisme in de ontwikkelingslanden zelf draagt ook bij aan de inflatie van de voedselprijzen. Rijstexporterende landen, die plotseling de export stilleggen, veroorzaken wereldwijd prijsverhogingen en tekorten. En regeringen, zoals die van Argentinië, die graan- en vleesexporten belasten, stuwen de prijzen op de wereldmarkt op, verminderen het aanbod en laten hun eigen boeren verarmen. Vrije landbouwmarkten verplaatsen de productie daarentegen naar de meest efficiënte plekken en bieden de beste kans op het in stand houden van voldoende aanbod, zelfs als de oogsten slecht zijn.

Bovendien kan de consumptie ‘kunstmatig’ het aanbod overtreffen, als er te veel geld wordt geschapen terwijl de reële rente op nul staat of negatief is. Dat is met name het geval in de energie- en grondstoffensectoren, waar het enige tijd kost voordat nieuw aanbod op stoom komt. Voorzitter Ben Bernanke van de Federal Reserve en andere centrale bankiers dragen dus ook een deel van de verantwoordelijkheid voor de huidige golf van voedselprijsstijgingen.

Martin Hutchinson