Oprah in de hemel en Obama in topvorm

Het was alsof deze week opeens het geluid uitviel bij de Amerikaanse verkiezingscampagne. Iedereen praatte gewoon door – over de nederlaag van Hillary en haar weigering die te erkennen, over de kansen van Obama en de obstakels op zijn weg, over het sluiten van de rijen en over de mogelijke running mates – maar het leek er allemaal niet meer toe te doen.

Voor het eerst in die lange campagne was er iets gebeurd wat al die verwikkelingen reduceerde tot voetnoten. Voetnoten bij het feit dat nu een Afro-Amerikaanse man met koele zelfverzekerdheid kon vaststellen dat hij toch écht de Democratische kandidaat is voor de machtigste positie in het land.

Het beeld viel niet uit. En wat we zagen was een Amerika zoals we het lang niet hebben gezien: jong, veelbelovend, uitnodigend en hoopvol. Avontuurlijk en ondernemend. Maar tegelijk: onvoorspelbaar en kwetsbaar.

En dat alles belichaamd in een zwarte man, die niet alleen de ruim 300 miljoen Amerikanen en hun supermacht wil gaan leiden, maar die ook een goede kans maakt om dat doel te bereiken. Een man met een vader uit Kenia, een moeder uit Kansas en een naam, zoals een Amerikaanse columnist schreef, die wel geplukt lijkt te zijn van de lijst Guantánamo-gevangenen.

Nog niet zo heel lang geleden, een maand of vijf, kon je nog heel wat Amerikanen, ook Democraten, horen zeggen dat dit ondenkbaar was. En ook buiten Amerika zullen er miljoenen zijn die nog steeds hun ogen uitwrijven: wie had dit gedacht?

Toch doen de foto’s van de triomfantelijke Obama op een vreemde manier vertrouwd aan. Een heel mooie stond op de website van The New York Times: Obama en zijn vrouw Michelle, gevolgd door veiligheidsagenten, lopen stralend door de gangen van het ijshockeystadion in St. Paul waar de kandidaat de zege had opgeëist. Zij in een purper, laag uitgesneden jurkje met blote armen, hij strak in het pak en in topvorm, zijn arm om haar middel. Ze kijken elkaar aan – we did it! – en je probeert je voor te stellen dat dit de president en de first lady zijn van Amerika.

En dat kost niet eens heel veel moeite. Want het mag een enorme verandering zijn ten opzicht van wat we nu gewend zijn, maar een zwarte president in het Witte Huis hebben we eerder gezien, met dank aan Hollywood: David Palmer, uit de televisieserie ‘24’, heeft de weg gebaand voor Obama.

De afgelopen jaren is Amerika geleidelijk aan toegegroeid naar dit historische moment, ook al had niet iedereen het in de gaten. In de jaren negentig leek het land in een voortdurende staat van crisis en opwinding over wat ooit het ‘rassenvraagstuk’ werd genoemd. De mishandeling van Rodney King door politieagenten in Los Angeles, de ophef over de benoeming van opperrechter Clarence Thomas, de processen tegen O.J. Simpson, de zwarte kerken die in brand werden gestoken en de bittere debatten over positieve discriminatie.

Maar terwijl de ene na de andere studie verscheen over de raciale verdeeldheid van Amerika, en de fameuze droom van Martin Luther King verder weg leek dan ooit, waren er ook toen al tekenen dat er veel ten goede veranderd was. Oprah Winfrey was ook toen al een televisiester, ook toen al met een trouw publiek van vooral blanke vrouwen van middelbare leeftijd uit de lagere middenklasse. Konden blank en zwart zich eeuwenlang niet voorstellen dat de andere groep in de hemel zou komen („Hell would be goodenough – if big enough”), in 1997 bleek uit een peiling zowaar dat tweederde van alle Amerikanen het „redelijk waarschijnlijk” of „zeer waarschijnlijk” vond dat Oprah naar de hemel zou gaan.

De tegendraadse socioloog Orlando Patterson schreef in dat zelfde jaar dat de vooruitgang die de Verenigde Staten in de voorgaande halve eeuw hadden geboekt bij de bestrijding van vooroordelen en discriminatie, en bij de verbetering van de sociaal-economische en politieke positie van Afro-Amerikanen, ronduit verbijsterend was. Hij ontkende niet dat een zwarte onderklasse in een uitzichtloze situatie verkeerde, dat er nog steeds racisme in de Amerikaanse maatschappij was, kortom dat de open zenuw van de Amerikaanse geschiedenis nog altijd pijnlijk gevoelig was.

Maar tegen het algemene crisisgevoel – dat Patterson zag bij links en bij rechts, bij zwart en bij blank – meende hij een reactie te ontwaren. Hij voorspelde een opstand tegen het fatalisme, tegen de sombere overtuiging dat Amerika uiteenvalt in twee samenlevingen, één blank, één zwart, gescheiden en ongelijk.

Obama heeft de bitterheid en het fatalisme over de verhoudingen tussen blank en zwart in Amerika een zware slag toegebracht. Niet alleen om wie hij is en hoe hij er uitziet, maar ook om het soort politiek dat hij voorstaat. Hij probeert de oude tegenstelling te overstijgen, door zich los te maken van de traditie van strijd waarmee de burgerrechtenbeweging zoveel bereikt heeft. Hij is in staat ontspannen te spreken over het gevoelige, bijna onbespreekbaar geworden onderwerp.

Daarmee is niet gezegd dat Obama zijn boodschap van verzoening in de praktijk zal kunnen brengen. Ook is niet gezegd dat hij een goede president zou zijn. Maar Obama heeft de Amerikanen, altijd ontvankelijk voor optimisme, in elk geval weer hoop gegeven dat de oude trauma’s overwonnen kunnen worden. En hij heeft de Amerikanen, en de rest van de wereld, eraan herinnerd dat Amerika een land kan zijn dat open staat voor verandering en dat zijn idealen niet is vergeten.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/eijsvoogel

    • Juurd Eijsvoogel