‘Nu zou ik er niet eens naar toegaan’

Cabaretcriticus Henk van Gelder neemt zijn eerste recensie voor deze krant (1 mei 1982) nog eens onder de loep. Hij signaleert een een veranderde aanpak.

Mijn eerste cabaretrecensie ging over een groepje dat Sof-o-klets heette. Ja, ik keek er zelf ook van op, toen ik dat stukje terugvond. „Sof-o-klets straalt vooral mildheid uit”, schreef ik op 1 mei 1982 in deze krant. „Harde grappen zijn schaars, vreselijke ziekten worden nauwelijks vermeld en taboes blijven onaangetast.” Parmantige taal, en een duidelijk teken des tijds: de jaren tachtig waren nog maar nauwelijks begonnen en de beginnende criticus ontleende zijn criteria aan de gepolitiseerde, confronterende jaren zeventig, toen cabaret harde grappen moest maken en zich bij voorkeur moest vastbijten in ziektes en andere taboes. Tegenwoordig stellen we zulke eisen niet meer. Cabaret kan overal over gaan, zelfs over niets – als het maar slim en geestig is.

Sof-o-klets had in 1973 gezegevierd op het toen al gerenommeerde Camerettenfestival en maakte sindsdien op semiprofessionele basis cabaret. Overdag waren de leden werkzaam in het onderwijs. De stap naar de beroepssector hadden ze nooit gezet. En dat was misschien maar beter ook, want kennelijk viel er wel het een en ander op hun optreden aan te merken. Dat blijkt althans uit mijn opmerking „dat de presentatie vaak blijft steken in de goede bedoelingen”. Ik kan alleen maar vermoeden dat ik dat destijds naar waarheid heb opgeschreven, want controleren lukt niet meer. In mijn herinnering is die avond in het Rob van Reijntheater in Amsterdam, met het strenge blocnootje op schoot, geheel uitgewist. Het Rob van Reijntheater bestaat trouwens óók niet meer.

Nu zou de naam van het gezelschap waarschijnlijk al bij voorbaat zo afschrikwekkend zijn dat ik er niet eens naar toe was gegaan. Sof-o-klets, dat kan toch niks wezen? Toen was het echter helemaal niet gek om zo te heten. De woordspeling vierde hoogtij. Een van de allerbeste cabaretgroepen uit de jaren zeventig heette Don Quishocking. Het ensemble van Jos Brink en Frank Sanders trad op onder de naam Tekstpierement. En ook verder wemelde het van taalkundig geknutsel. In het jaar dat Sof-o-klets de Camerettenzege in de wacht sleepte, eindigde de groep Triolering op de tweede plaats. Er waren in die dagen zelfs drie aankomende cabaretiers die duidelijk blijk wilden geven van hun joodse afkomst en zich daarom Trijoodje noemden.

Intussen riep dat oude stukje natuurlijk de vraag op hoe het Sof-o-klets nadien is vergaan. De speurtocht duurde niet lang. In een ommezien stuurde Google me naar de site van Sofokles, want onder die naam blijken Jan Bal en Frans van Vuuren, twee van de vier oude groepsleden, nog steeds actief te zijn. Ze zijn alle twee hoofd van een lagere school en maken in vrije uren cabaret in opdracht, voor congressen, symposia en andere bijeenkomsten, veelal in de onderwijssector. „Op maat gesneden onderwijscabaret”, staat er op hun site. Maar cabaretcritici komen daar niet. Die hebben allang weer andere cabaretiers om kritische stukjes over te schrijven. Of enthousiaste, dat kan gelukkig ook.