Niet meer schoppen, maar bouwen

Cyrus Frisch wil eigenlijk liever de wereld redden dan films maken. Terwijl hij aan ‘Oogverblindend’ werkte, het toneelstuk dat nu als film in première gaat, bereidde hij twee projecten voor over ‘de grote wereldproblemen’: „Ik wil net zo duidelijk zijn als Al Gore.”

Georgina Verbaan foto Jaap Vliegenthart Georgina Verbaan in "Oogverblindend" van Cyrus Frisch. FOTO: Jaap Vliegenthart Vliegenthart, Jaap

In zijn werkkamer in het centrum van Amsterdam zet Cyrus Frisch zijn computer aan. Op het scherm verschijnt een montageprogramma met een reeks gekleurde vierkantjes – scènes die hij gebruikt voor, of toch misschien weer weglaat uit zijn nieuwe film Oogverblindend. Dit is de film in zijn prilste en kwetsbaarste stadium.

Het gegeven: een jonge vrouw in Amsterdam krijgt een telefoontje van een oudere man uit Buenos Aires. In een smartelijk gesprek stort zij haar hart uit, vertelt hem van alle verwarrende ervaringen die ze in de Amsterdamse binnenstad opdoet met stervende zwervers, masturberende junks, tegenover haar eigen diepe eenzaamheid. De film zal een montage worden van beelden die Frisch vanuit zijn huiskamerraam opnam en van de vrouw aan de telefoon.

Een kleumende zwerver komt voorbij, een gevallen fietser, een versufte muis op de kade. Voorzover nu al te beoordelen, gaat er een sterke poëtische werking uit van de stem van Georgina Verbaan in combinatie van de niet altijd even duidelijke opnames. Oogverblindend doet in dat opzicht sterk denken aan Waarom heeft niemand mij verteld dat het zo erg zou worden in Afghanistan, de eerste met mobiele telefoon opgenomen speelfilm. De terloops gevangen beelden krijgen betekenis door de context, als een objet trouvé in het museum.

„Ik wil weten wat je ervan vindt”, had Frisch (Amsterdam, 1969) vooraf gezegd. Hij heeft al gespeeld met de gedachte om met een niet-definitieve versie van zijn film naar buiten te gaan. „Dan kan ik er met het publiek over discussiëren voor ik de film afmaak.”

Het publiek voor de films van Cyrus Frisch is nooit heel groot geweest. Voor Vergeef me (2001) zijn volgens de database van de bioscoopvereniging 162 kaartjes verkocht – festivalbezoek niet meegerekend. Waarom heeft niemand mij verteld dat het zo erg zou worden in Afghanistan, de laatste film van hem die in de bioscoop te zien is geweest, trok zo’n 200 bezoekers, plus twee volle zalen op het filmfestival Rotterdam. Frisch tekent erbij aan dat de belangstelling op festivals groeit.

Blackwater Fever gaat volgende week in twee bioscopen uit, twee jaar na zijn première. Daarbij bleef hoofdrolspeler Roeland Fernhout weg, die in HP/De Tijd liet weten: „Ik realiseerde me dat ik met iets heel fouts bezig was”, verwijzend naar de slotscène in een nagebouwd Afrikaans vluchtelingenkamp in Namibië, waar Frisch omwonenden hongerende vluchtelingen liet spelen. Er liepen magere, halfnaakte mensen in beeld en Fernhout tilt tot slot een baby op en bekijkt het kind tot hij in huilen uitbarst. Overigens heeft de regisseur, zegt hijzelf, inmiddels weer goed contact met Fernhout.

Alles wat Frisch (Amsterdam, 1969) tot nog toe heeft gedaan, film en toneel, heeft hevige discussie veroorzaakt. In de pers, maar ook onder het bioscooppubliek na de vertoning. Frisch speelt daarbij met verve de rol van het enfant terrible dat geen enfant terrible wil zijn. „Ik dacht dat ik heel duidelijk was”, zegt hij steeds als hij een razende criticus citeert, die een van zijn films weer eens verkeerd begrepen heeft.

Hij heeft voor Vergeef me junks en zwervers op het toneel en voor de camera gehaald om commentaar op reality-tv te geven, en werd vervolgens gebrandmerkt als immorele uitbuiter van hulpeloze mensen. Zelf, zegt hij, dacht hij dat de film toch een duidelijk statement was tégen de uitwassen van de commerciële televisie door gebruik te maken van de uitwassen van de commerciële televisie.

Hij is naakt over straat gerend, ingesmeerd met bloed en heeft voetbalsupporters uitgedaagd in de hoop dat die met hem op de vuist wilden om een ‘spannende film over geweld’ te maken (ten slotte heeft de politie hem maar meegenomen). Hij heeft de presentatoren van een nachtprogramma op de commerciële tv geprobeerd zo te provoceren dat hij live zou worden weggestuurd. „Dat is niet gelukt. Ik heb geen enkele grens bereikt, laat staan dat ik erover heen ben gegaan.”

Hij heeft een film gemaakt over de dood van zijn buurman, vanaf het moment dat die in elkaar zakte in zijn portiek tot het moment dat hij verbrandde in het crematorium. Ik zal je leven eren heet die film en Frisch is verbaasd dat hij ervoor is beschuldigd van lijkenpikkerij. En de hierboven beschreven slotscène van Blackwater Fever is hem op een golf van kritiek komen te staan. „Ik moest bij het slot denken aan al die ministers van Ontwikkelingssamenwerking die met kinderen met dikke buikjes op de foto gaan.”

Frisch laat al die films zien, inclusief de kritiek en de lof die hij kreeg, extreem positieve en extreem negatieve reacties die hij soms weer op film heeft opgenomen, maar die hij vooral gretig verspreidt. Er kan zomaar een sms’je van hem binnenkomen waarin hij de persreacties op Waarom heeft niemand... samenvat: „baanbrekend, grimmig, verveling, lelijk, compromisloos, vincent van gogh, uitgekiend, revolutionair, polanski”. Plus een stapel mails met quotes uit de pers, aanmoedigingen, vermaningen en loftuitingen van collega’s uit binnen- en buitenland, van Martin Koolhoven tot Gaspar Noé, de regisseur van Irréversible. („Ik hoorde laatst dat hij een groot fan van mijn films is.”)

Tussen die twee polen, lof en kritiek, en vooral ook zélflof en zélfkritiek, zwerft Frisch heen en weer, hunkerend naar het laatste oordeel. Hij neemt, in een reeks gesprekken in de afgelopen maanden voor dit interview even hartstochtelijk afstand van zijn oude werk als dat hij het aandraagt ter adstructie van zijn ideeën. Cyrus de zoeker.

Hij wil, zegt hij, eigenlijk liever de wereld redden dan films maken. Gelijktijdig met Oogverblindend, dat eerst als toneelstuk is gemaakt en nu pas een film aan het worden is, heeft hij voorbereidingen getroffen voor een project waarmee de grote problemen van de wereld kunnen worden aangepakt: mondiale bevolkingsgroei, milieu, armoede, oorlog, ziekten. machtsdenken – zo staat het in de documentatie over het project.

Aan de keukentafel van zijn Amsterdamse ‘werkhuis’ ligt een meter boeken, vooral over het probleem van ‘machtsdenken’, zoals Leiderschap ontraadseld van Manfred Kets de Vries en tijdens ons gesprek draagt hij steeds nieuwe kopieën en prints aan met opzetjes, verduidelijkingen, steunbetuigingen en uitnodigingen.

„Ik ben altijd geëngageerd geweest, alleen was ik eerst negatief geëngageerd. Ten tijde van Vergeef me was ik vooral boos en dat probeerde ik om te zetten in film. Nu kan ik, hoop ik, positief geëngageerd zijn. Ik zoek een groter publiek en ik wil constructievere films maken.”

Bovenop de boekenstapel ligt 365 ways to change the world van Michael Norton. „Er zijn vragen waar ik mee worstel. En ik hoop dat ook andere mensen met die vragen zitten.”

Er komen lijstjes, mails en brieven op tafel. „Al Gore is de juiste man op de juiste plaats geweest. Wat hij deed met zijn tournee over het broeikaseffect – zo expliciet vertellen wat hij bedoelt – ligt dicht bij prachtige kunst. Ik hoop zelf speelfilms te maken die net zo gedetailleerd en exact zijn als de informatie die hij geeft.”

Het klinkt nogal eendimensionaal.

„Filmers zijn altijd geneigd te zoeken naar metaforen om zich uit te drukken. Metaforen zijn veilig, ook voor de toeschouwer. Maar de problemen zijn te ernstig om je nog achter metaforen te verschuilen. Tot vijf jaar geleden was mijn manier: schokken, tegen het geweten van mensen aan schoppen. Dat vond ik spannend, maar het was ook veilig. Al was het maar omdat je niet altijd begrepen wordt. Als je echt engagement wil tonen, moet je je helemaal bloot geven voor een zaak. Dat wil ik. En ik ga ervan uit dat veel meer kunstenaars geëngageerde kunst willen maken die positieve veranderingen teweeg kan brengen, maar dat ze aarzelen. ‘Kan ik dat wel als individueel kunstenaar?’ ‘Moet ik niet zoeken naar een metafoor?’ Zo blijven ze aarzelen.”

Moet je dan geen hulpverlener worden, of bioloog?

„Ik hoorde vertellen van een kunstenaar die een biologisch afbreekbare landmijn heeft ontwikkeld. Geniaal vind ik dat. Het is praktisch uitvoerbaar en het levert een positieve bijdrage aan de wereld.”

Een landmijn? Een positieve bijdrage?

„Dat zijn de grote dilemma’s van de wereld. Doe je iets of zeg je alleen maar iets? Dat vraag ik mijzelf af. Zou ik mijn energie dúrven te stoppen in een landmijn die net zo goed functioneert als een conventionele? Wil ik op mijn geweten hebben dat er mensen sterven door mijn vinding – ook al zijn dat er minder dan door een conventionele?”

Dan ben je ineens wapenhandelaar.

„Misschien kunnen die de problemen wel eerder oplossen dan kunstenaars. Ken je Noreena Hertz? Dat is een jonge, Britse hoogleraar economie. Zij is bevangen door het idee dat multinationals de wereld beheersen. Aan de ene kant is ze er kritisch over, aan de andere kant ziet ze er de potentie van: multinationals hebben de macht en het geld om de wereldproblematiek echt aan te pakken. Je moet ze alleen een reden geven om het te doen.

„Er is in de jaren tachtig een middel tegen rivierblindheid ontdekt door een groot farmaceutisch bedrijf. Het probleem was: rivierblindheid komt alleen voor in Afrika. Het bedrijf zou zijn investering nooit kunnen terugverdienen in Afrika. Toch heeft een van de directeuren de aandeelhouders ervan weten te overtuigen het geneesmiddel in productie te nemen. De positieve publiciteit daarover zou het geld voor de ontwikkeling van het medicijn opleveren. Zo moet je dat dus doen. Je moet de macht van de multinationals via de kracht van de pr bespelen. Het gaat er om de Engelse zakenman Richard Branson te kunnen bellen en te zeggen: jij moet de wereld redden.”

Hij noemt een ander voorbeeld. Elena Simons, een Nederlandse die zichzelf afficheert als ‘maatschappelijk uitvinder’ en aan de weg timmerde met Pret met moslims. Ze schreef ook Alle grote wereldproblemen en hun oplossingen. Oplossing 6: meer seks, minder kinderen. Dat soort dingen, simpel, helder en doeltreffend, dat staat Cyrus Frisch voor ogen.

Het lijkt volkomen tegenstrijdig aan wat je tot nog toe hebt gemaakt.

„Ik heb dingen gedaan en gemaakt die als egocentrisch kunnen overkomen, maar die dat niet waren. Nadat ik mijzelf van mijn demonen had verlost, bedacht ik: wat wil ik de wereld vertellen?”

En?

Hij vouwt een papier open en leest voor: ‘IDEE: CREËER EEN PLATFORM VOOR TOONAANGEVENDE REGISSEURS DIE ZICH WILLEN INZETTEN VOOR EEN BETERE WERELD.’ „Ik zou Tarantino met zijn enorme talent willen bewegen een film te maken die ertoe doet.”

Zou Tarantino willen?

„Dat weet ik niet. Voorlopig heb ik een rijtje opgesteld van andere filmers die ik wil benaderen om ieder een speelfilm te maken over een van de wereldomspannende problemen. Abderrahmane Sissako, Teresa Villaverde, Michael Winterbottom, Gaspar Noé. Dat zijn een paar van de allerbeste regisseurs uit het arthouse circuit. Albert Maysles, de documentairemaker, heeft al laten weten dat hij graag meedoet.”

En Cyrus Frisch staat ook op dat lijstje?

„Ja, ik vind het mooi om in dat rijtje namen te staan. Ik wil het kader scheppen waarin dit soort projecten kan worden ondernomen, maar ik wil ook graag als regisseur meewerken.”

Kan het lukken?

„De films zouden tussen de 250.000 en de 300.000 euro moeten kosten. Dan heb je als regisseur niet veel te verliezen en dan is de kans groter dat het gebeurt. En ik heb zelf eigenlijk een mecenas nodig die mij vijf jaar geld geeft om van te werken en te leven.”

Is iemand die zo met zichzelf bezig is, wel de aangewezen persoon om de wereld te veranderen?

„Daar moet ik even over nadenken”, zegt hij. „Misschien juist wel.”

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Cyrus Frisch

In Niet meer schoppen maar bouwen (Cultureel Supplement, 6 juni) staat ten onrechte dat Cyrus Frisch’ film Oogverblindend deze week in première gaat. Zijn film Blackwater Fever gaat in roulatie.