Na inburgering van de arbeider begon de vertrossing

Christianne Smit (red): Fatsoenlijk vertier. Deugdzame ontspanning voor arbeiders na 1870. Bert Bakker, 301 blz. € 24,95

Christianne Smit (red): Fatsoenlijk vertier. Deugdzame ontspanning voor arbeiders na 1870. Bert Bakker, 301 blz. € 24,95

Het is behandeld als een klein, maar aardig onderwerp: wat zouden arbeiders in het laatste kwart van de 19de eeuw precies gaan doen na hun werktijd? Voordien waren ‘de verworpenen der aarde’ na twaalf of meer uur onafgebroken arbeid tot weinig andere bezigheid meer bij machte geweest dan slapen, maar in dat troosteloze beeld begon toen langzaam maar zeker verandering te komen. In heel West-Europa won het socialisme terrein. De achturige werkdag was weliswaar nog haast nergens bereikt, maar kinderarbeid was al taboe geworden, de stakingskas van de prille vakbond raakte cent voor cent een beetje gevuld, er werd zelfs al voorzichtig gewerkt aan pensioenfondsen. En de spectaculairste maatschappelijke verschuiving die een vermenselijkt arbeidsklimaat met zich meebracht is toentertijd waarschijnlijk niet eens voorzien. Voor de massale arbeidersbevolking kwam namelijk een luxeartikel onder bereik dat tot dan het privilege van een kleine bovenlaag was geweest: vrije tijd.

Daar gaat het over in Fatsoenlijk vertier. Daarover, en over de wijze waarop ‘van hogerhand’ die vrijheid niet alleen met de nodige zorg in de gaten werd gehouden (zouden ze niet al hun vrije tijd in de kroeg doorbrengen, en het straatrumoer ondraaglijk maken?), maar voor zover mogelijk ook meteen werd gereguleerd. Typisch liberaal-burgerlijke Maatschappijen voor ’t Nut stonden al klaar om in te springen – hun initiatieven kwamen nu grootschalig van pas: natuur aan het Volk, kunst aan het Volk, gymnastiek aan het Volk, fietsen en voetbal aan het Volk, allemaal prachtig, zolang het binnen de geldige Nederlandse fatsoensnormen bleef. En daar stonden de Maatschappijen borg voor.

Het moet in veel opzichten om een langdurig, en letterlijk, inburgeringsproces zijn gegaan: de samenleving werd ineens geconfronteerd met mensen die allang arbeid voor haar hadden verricht, maar naar wie niemand ooit goed had omgekeken, en die nu als medeonderdanen ook wat te vertellen wilden krijgen. Dat kost meestal een paar generaties, en de conflicten zijn ondertussen niet van de dreigende lucht.

De vraag of de nieuwelingen zich sinds 1870 inderdaad helemaal hebben weten te assimileren aan beeld en gedrag van ‘de deftige burgerij’ moet natuurlijk ontkennend worden beantwoord. Ik denk altijd graag aan de arbeidersradioamateurs die in de jaren dertig hun luistervinken met strijdliederen, socialistische commentaren en verheffende cultuur wilden verheffen. Maar toen de AVRO succes had met de Dames Snip en Snap in de Bonte Dinsdagavond Trein, bedachten ze bij de VARA een zaterdagavondshow met Peter Pech, en eigenlijk hebben we toen al de grote vertrossing (waar PvdA-Kamerlid Diederik Samsom nog steeds heimwee naar heeft) zien beginnen.

Waarom worden in het keurige bundeltje nergens zulke cultuurhistorische verwijzingen geprobeerd? Waarom trouwens zijn voor de bundel ook Belgische en Duitse medewerkers uitgenodigd? Ging het om een project? Maar waarom is dat dan nergens verantwoord? En waarom, tenslotte, lezen de aanstormende historici die bijdragen leverden aan Fatsoenlijk vertier nooit eens een avondje in Wesseling, of Kossmann, of Huizinga, of desnoods Fruin, om er achter te komen wat je moet doen, en laten, als je een beetje aanstekelijk wilt leren schrijven?