Lust is de kapstok van de uitweiding

In het verleden was de scabreuze inslag een reden om Diderots Loslippige sieraden niet helemaal serieus te nemen. Denken we daar tegenwoordig anders over?

Denis Diderot: De loslippige sieraden (Les bijoux indiscrets). Uit het Frans vertaald door Tatjana Daan en met een nawoord van René Puthaar. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 365 blz. € 32,50.

Het meest scabreuze aan Diderots roman Les bijoux indiscrets (1748) zit al meteen in de titel. De loslippige sieraden heeft vertaalster Tatjana Daan ervan gemaakt. Wat voor sieraden? Die welke vrouwen ‘tussen hun benen dragen’. Denis Diderot (1713-1784) is de oervader van de vagina-monologen. Bij hem alleen geen militant feminisme, maar een goedmoedig soort misogynie. Dat wil zeggen: die misogynie komen we tegen bij een van zijn personages, de verlichte sultan Mangogul van het koninkrijk Kongo, die om zijn verveling te verdrijven meer zou willen weten over de liefdesavonturen van de vrouwen in zijn rijk en die daartoe van een ‘genius’ een toverring heeft gekregen waarmee hij het sieraad van elke vrouw aan de praat krijgt.

De sieraden hebben het maar over één ding: het liefdesleven, en dat blijkt zich vaker buiten dan in het huwelijksbed af te spelen. De fatsoenlijke, liefhebbende vrouw bestaat niet, concludeert de sultan derhalve. En de ziel van de vrouw bevindt zich in haar sieraad, want ook als vrouwen denken hun verstand te volgen doen zij in feite wat hun sieraad van hen wil. Een vrouw is een ‘beest’ of een ‘automaat’, meent Mangogul, met deze opvatting de evenmin feministische Freud naar de kroon stekend.

Zijn favoriete vrouw Mirzoza wordt dat te gortig, en zij neemt de verdediging van de vrouw voor haar rekening. Bij liefhebbende vrouwen zit de ziel in het hart, betoogt zij. Maar waar is zo’n vrouw te vinden? De toverring van de sultan brengt vrijwel nergens trouwe liefde aan het licht. De enige uitzondering lijkt Mirzoza zelf te zijn, maar zij heeft Mangogul verboden de ring op haar uit te proberen. Want, zo luidt haar redenering, ‘als ik altijd deugdzaam ben geweest, zal mijn sieraad geen woord zeggen maar het onrecht dat u me aandeed zal ik u nooit vergeven. Als het wel zal spreken, verlies ik uw achting en uw liefde en zult u wanhopig zijn.’

Het is dus welbeschouwd uit liefde dat zij de nieuwsgierigheid van de sultan een halt toe roept. Geen wonder dat het niet tot een breuk komt, als Mangogul in het laatste hoofdstuk zijn nieuwsgierigheid toch niet kan bedwingen. Mirzoza strijkt over haar hart en sluit de sultan in haar armen, nadat zij zich met een nobele smoes heeft laten misleiden. In deze vrolijke roman wordt de soep niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend.

Het koninkrijk Kongo heeft iets van een ideaal sprookjesland. Met het reëel bestaande Kongo heeft het niets te maken, Diderot heeft er eerder iets oriëntaals van gemaakt. In de eerste helft van de 18de eeuw wemelde het van de libertijnse romans met een oosters decor. Toch hoort Diderot met zijn Loslippige sieraden niet zonder meer thuis in het rijtje Crébillon fils, Fromaget en Duclos; daarvoor is zijn roman te veel een persiflage op het werk van deze destijds populaire auteurs. Diderot gebruikt het genre, evenals het verhaal (dat aan Duizend-en-een-nacht herinnert), als alibi en kapstok voor allerlei particuliere escapades en uitweidingen.

In het verleden was de scabreuze inslag een reden om De loslippige sieraden niet helemaal serieus te nemen. Tegenwoordig wordt daar anders over gedacht, ook door René Puthaar die zich in het nawoord ontpopt als een onvoorwaardelijk bewonderaar en pleitbezorger van deze ‘schromelijk ondergewaardeerde’ roman. Volgens hem hebben we te maken met ‘Diderots meest realistische en geëngageerde roman over de menselijke komedie’. Dat lijkt me nu weer wat te veel eer. Wat is er ‘realistisch’ aan dit sprookje? En pakt het engagement niet wat al te speels en vrijblijvend uit?

Allerlei indertijd actuele kwesties passeren de revue: de rivaliteit tussen Cartesianen en Newtonianen, de ‘Querelle des Anciens et des Modernes’, de strijd van het empirisme (‘ervaring’) tegen alle metafysica en nog zo het een en ander. Maar zelden laat Diderot zich verleiden tot een eenduidig standpunt of een radicaal geluid; steeds komen diverse, vaak tegenstrijdige visies aan bod – net als bij het oordeel over de vrouw, waarin de sultan en zijn ‘favoriete’ lijnrecht tegenover elkaar staan.

Slechts één ding is het hele boek door niet aan relativering onderhevig: de vrijmoedigheid waarmee Diderot de seksualiteit benadert. Van verontwaardiging over het liederlijke gedrag dat de kletsende sieraden onthullen, is nergens sprake, en veel kwaad blijkt het gebabbel ook niet te kunnen. Handige jongens proberen de vrouwen weliswaar speciale muilkorven aan te smeren, maar nadat die weer uit de gratie zijn geraakt, lezen we laconiek: ‘men liet de sieraden praten, en niemand overleed daaraan’. Net zo betoogt de sultan dat liefde zonder lichamelijk genot een illusie is. In zijn latere Supplément au voyage de Bougainville, dat zich niet in een verzonnen Kongo maar op een nauwelijks minder fictief Tahiti afspeelt, zou Diderot de vanzelfsprekendheid van de seksuele lust nog veel explicieter verdedigen.

De loslippige sieraden (kundig vertaald door Tatjana Daan) is een grappige, onderhoudende roman waarin Diderot een aantal van zijn stokpaardjes voor het eerst de vrije teugel gunt. Maar verschil moet er zijn: vergeleken met even speelse en aanzienlijk diepzinniger romans als Jacques le fataliste of Le neveu de Rameau blijft het mindere waar.

Denis Diderot: De loslippige sieraden (Les bijoux indiscrets). Uit het Frans vertaald door Tatjana Daan en met een nawoord van René Puthaar. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 365 blz. € 32,50.