Kort verhaal

Iedere maand krijgt een jonge schrijver de ruimte

Aan de telefoon klonk de jongen, nu ja, mannelijk en vertrouwenwekkend. Heel anders dan de vrouwelijk piepende mannen die ik doorgaans op de datinglijn trof. Na het uitwisselen van wat berichten over en weer gaf ik de jongen mijn thuisnummer en hing op.

Ik zat in mijn werkkamer en wachtte geduldig zijn telefoontje af. De lampen in de kamer waren uit. Het huis van mijn dichtste buur was een verrekijkerblik van me vandaan, maar ik liep liever niet het risico dat iemand me in mijn onderbroek achter mijn werktafel zag zitten.

En al zat ik er op te wachten, ik schrok toch op toen de telefoon begon te rinkelen.

‘Gijs? Tom hier. Van daarnet.’

‘Je klinkt als een leuke vent.’

‘Jij ook.’

‘Heb je vanavond iets te doen?’

Ik realiseerde me ineens dat ik mijn slaappil al had ingenomen. ‘Het is half een ’s nachts. Ik weet geloof ik zelf niet eens dat ik dit telefoontje pleeg.’

‘Het is volle maan. Dan slaap ik ook altijd slecht.’

Bovenop de duinpan en zo’n vierhonderd meter van mijn huis, staat een oude vuurtoren waarboven een bijna volle maan hing. Wie goed keek zag dat ze nog net een nagelriem miste.

‘Is de maan bij jou voller dan bij mij?’

‘Ik weet niet. Ik woon in Amsterdam.’

‘Ik in Depressie aan Zee.’

‘Nou Gijs, het is een mooie nacht. Wat zeg je ervan als we elkaar ergens halverwege treffen?’

Ik schoof de serredeur open om de hond voor een plas buiten te laten. Hij stoof af op het rijtje coniferen dat is geplant om de stapel bouwpuin onder het zeil aan het zicht te onttrekken. Voor de zoveelste keer begon hij vlak voor het hek te wroeten. Ik glimlachte omdat ik dacht dat het na alle reparaties aan het hek nu echt onmogelijk voor hem zou moeten zijn zich een vluchtweg te graven.

Ik schoot in mijn kleding en poetste mijn tanden. Terwijl ik de hond riep, kneep ik mijn oogleden fijn en zag door mijn oogharen hoe hij verschrikt omkeek en nog snel een laatste graafbeweging maakte. Hij stak zijn kop onder het hek door en begon vol enthousiasme aan zijn zoveelste uitbraak. Ik zette een stap buiten de deur om er, te laat natuurlijk, achteraan te gaan. Mijn kousenvoet zakte weg in de omgespitte strook waar eerdaags de rozen moesten worden geplant.

Onderweg naar de parkeerplaats zette ik mijn raam open om de versuffende werking van de slaappil uit mijn hoofd te waaien.

Op het parkeerterrein trof ik een indrukwekkende line-up van auto’s aan. Ik zette mijn auto stil en zocht naar een rode Peugeot.

Bij slecht weer zag je vaak mannen in of rond de auto bezig, maar bij dit zachte winterweer was iedereen door het gat in het hek het jongensland in gekropen. Ik ging aan een van de picknicktafels zitten, met mijn blik naar de afrit toe. Aan twee kanten van het tafelblad lagen half leeggegeten plastic zakjes met door de nacht zompig geworden boterhammen en pakjes frisdrank. De mensen die hier aan het einde van de middag zijn gaan zitten om uit te rusten van een lange autorit moeten iets ongelofelijks in de struiken hebben gezien – een bil, een stel blote knieën, een man met zijn broek op zijn enkels – en overhaast en onuitgerust hun reis hebben hervat. Er kwam een rode auto aangereden.

Waar te beginnen? Welke van de vele teleurstellingen was de doodsteek voor mijn lust? Zijn geföhnde blonde helm van haar? De zweren in zijn nek die waren bedekt onder een dikke laag witte zalf? De leugen van de geadverteerde 25 jaar? ‘Is dat tandpasta?’ vroeg hij en wees naar de vlek.

‘Ja.’ Hij toonde me zijn eigen tandpastavlek, op de mouw van zijn sweater.

‘Dat zijn de ergste, niet? Ik denk dat bijvoorbeeld een koffievlek veel makkelijker te verwijderen is dan een vlek van tandpasta. Ik gebruik altijd...’

Zijn monoloog over de ene vlek die de andere vlek niet is duurde minutenlang voort en ik teerde al die tijd op een enorme binnenwereld, waarvan ik eerder niet wist dat ik hem had. Ik weet niet waarom ik niet voor de eer bedankte en hem verder een heel mooi leven toewenste – maar ik zei: rijd je achter me aan? Ik ga liever naar mijn huis. Ik wachtte niet met wegrijden tot hij was ingestapt. Ik scheurde met mijn auto de oprit af en zag hem een flink stuk achter me flikkeren met zijn koplampen. Zijn kleine auto zou mijn krachtige A-klasse-motor maar met moeite kunnen bijhouden. Goed, het was kinderachtig van me om hem af te schudden, maar ik durfde hem niet te zeggen dat hij zelfs ’s nachts mijn afschuw wekte. Soms moet je dit soort dingen...

Ineens zag ik achter mij weer de rode Peugeot met de knipperende koplampen. Ik hield mijn geminderde tempo aan om hem het gevoel te geven dat ik hem weer liet volgen. Ik haalde een vrachtwagen in die voor me reed. De rode Peugeot bleef achter de vrachtwagen en hij moet in de flauwe bocht die de weg maakte gezien hebben dat ik vlak voor de vrachtwagen bleef rijden. Ik gaf geen richting aan en bleef zo lang mogelijk voor de vrachtwagen naast de uitvoegstrook rijden. Pas op het laatste moment gaf ik een ruk aan het stuur en reed zo hard ik kon de afrit op. Ik naderde een verse kindvriendelijke buitenwijk. Ik parkeerde mijn auto achter een wit busje, zette de motor af en doofde de lichten.

Alles om me heen was stil. Bij inspanningen krijg ik een kriebel in mijn keel. Ik drukte mijn vuisten voor mijn mond om die hoest te onderdrukken. Ik trok mijn shirt dat van het angstzweet aan mijn rug geplakt zat van me af en stak de sleutels weer in het contact. Op dat moment tikte een zwarte gestalte tegen mijn raampje en hoorde ik: zijn we er al? De jongen met de zweren stond naast de auto. Ik zag in zijn blik en zijn glimlach dat hij niets in de gaten had gehad van mijn poging hem kwijt te raken. Opnieuw: Woon je hier? Ik startte de auto en reed met piepende banden bij hem vandaan.

Lernert Engelberts (1977) is dichter, schrijver, televisiemaker en regisseur. Hij werkte als regisseur en schrijver voor het VPRO programma ‘Waskracht!’ en schreef in 2006 samen met Arjan Ederveen het programma ‘Wroeten’, dat hij ook regisseerde. Vorige maand verscheen zijn verhalenbundel ‘Echte Slechte Mensen’. Lees meer op www.lernert.nl

    • Lernert Engelberts