Klamme handen

Verstijfd van angst. Hoe voelt dat? next.one wilde het weten en tartte het lot. Op zoek naar angstige momenten. Maar waar vind je die in Nederland, misschien wel het minst enge land ter wereld? Vooral in streng gereguleerde attracties. ‘alles in je lijf zegt dat dit niet normaal kan zijn.’

Testosteron

Op het circuit van Zandvoort zijn voornamelijk mannen. Mannen met tatoeages, petjes en gympen. Ze hebben een agressieve blik. Ogen fijngeknepen. Stoere praat. Een steekt een sigaret op naast een olievlek op de grond. Mag dat? Ja!, brult de man. Het testosterongehalte is hier hoog, achter de duinen. We ontdekken gauw de oorzaak. De raceauto’s. Dat maakt wat los bij mannen. Freek, zeer rustig en beleefd, stapt in bij de professionele autocoureur Christian Jelsa in een Clio Cup 2.0 liter 16 klepper raceauto. De motor ronkt, andere mannen kijken. De Clio scheurt weg. Grote rookpluimen, piepende banden. Door de bocht gaan ze met 180 kilometer per uur. Ze halen andere auto’s in. Ze joelen. Terug in de pits wil Freek meer, meer racen en vooral nóg harder. Hij heeft de smaak en de adrenaline te pakken. Ik denk dat hij als een gorilla op zijn borst gaat bonken, maar dat gebeurt niet. Ik ga met Christian in een BMW driften, waardoor je dwars door de bocht gaat. Ik stap in. Het testosterongehalte slaat bij een stel mannen op de baan toe. Zij stappen in de BMW’s achter ons. Wij scheuren weg, zij ook. Christian trapt het gaspedaal nog dieper in, ik vind het eng en gil. We schuiven door de bocht. De toerenteller krijst, de auto’s achter ons komen steeds dichterbij. Een raakt ons en wij halen het niet meer, we vliegen uit de bocht en op het grind komen we tot stilstand. Chris lacht en trapt meteen het gaspedaal weer in. Er achteraan! (JV)

Traagheid

Een moment van angst ervaar je traag. In slowmotion. Sla je met je auto over de kop, dan duurt dat minuten. Je hersenen doen dat expres, schijnt. Zodat ze de tijd hebben om adequaat op de ongewone situatie te reageren. Nu, halverwege mijn sprong van de 10-meterplank van de massief betonnen springtoren in het Sloterparkbad, vier trappen hoog, ervaar ik hetzelfde. Over een fractie van een seconde land ik met zestig kilometer per uur in het water. En in de tussentijd denk ik. Ik denk. Over wat de springcoach had gezegd. Over de positie van m’n lichaam bij de landing. Voeten omlaag, lichaam gestrekt en niet te veel naar voren of naar achteren leunen. (Het scheelt een schouder uit de kom). Ik denk. Over dat ik nu nog aan het spartelen ben. Over dat m’n lichaam maar wat doet. Over bungelende benen en zwaaiende armen. Ik kan er niets aan doen. Over dat dit nu nog niets uitmaakt. Nú nog niet. We zijn er nog niet. We hebben nog even. Over dat ik recht naar voren moet kijken. Blijven kijken, vooral. Over dat dit een vervelende taak is. En dat ik me liever, ogen gesloten, als een natte pop naar beneden zou laten storten. Maar dat ik m’n ogen nog moet openhouden, opdat het lichaam weet waar het is (orders van de springcoach). Ik denk. Over dat ik er al bijna ben. Over óf ik er al bijna ben. Over dat m’n tenen nu toch wel enige nattigheid zouden moeten voelen. Dat moet toch haast wel? Nu toch wel? Over: hoe hard wordt de klap. Over dat het denken nu ophoudt en het lichaam het van me overneemt. M’n ogen gaan dicht. Ik knijp ze fijn. Ik kan er niets aan doen. Benen gestrekt, armen langs het lichaam. Automatisch, ik hoef er niets voor te doen. En dan de klap. Als een potlood, alhoewel niet helemaal perfect, denk ik, het water in. (FS)

Vallen

We stellen elkaar gerust in de auto. We zijn van de krant dus we krijgen een uiterst secure behandeling. Ze zullen tot zes keer aan toe checken of we wel goed vastzitten en of de kabels niet versleten zijn. We voelen ons zekerder. Ze zullen bij Walibi wel gek zijn om twee jonge redacteuren dood te laten vallen. Dat zou erg ironisch zijn. We lachen. Twee doden zijn erg, maar twee doden van de krant, dat is nóg veel erger voor de publiciteit. Het komt goed. We kramen nog meer onzin uit. Bij de attractie zetten we een handtekening. ‘Voor het eigenrisicoverhaal’. Juliettes handpalmen glinsteren. Zweet weerkaatst het zonlicht. We worden opgetakeld. Horizontaal. Niets om je aan vast te houden. We haken onze armen in elkaar. Juliette vraagt aan de medewerkers of we echt goed vastzitten. Die knikken. Freek is doodstil. We gaan de lucht in. 1 meter, 10 meter, 20, 30, 40, 50 meter. Het geratel stopt. Doodse stilte. Alleen de wind. Juliette heeft haar ogen dicht. ‘Vallen we al?’ Freek geeft geen antwoord. Ver onder ons de vijver, het riet en de mensen. Kijken kan, denken is onmogelijk. En dan: ‘klik’. De vrije val. Vallen. Vallen doe je van de trap, of van een keukenkrukje. Dit heeft niets met vallen te maken. Van 54 meter hoogte ‘val’ je niet. Je dondert, je klettert en stort met geweld naar beneden. Gedreven door een enorme kracht. Een onbeschrijfelijke kracht, die alleen van de natuur kan zijn. Als God bestaat, dan is hij het geweest die ons naar beneden haalde. Alles in je lijf zegt dat dit niet normaal kan zijn. (FS, JV)

kale kip

‘Zijdezachte lichaamsontharing’, zegt de verpakking. Zijdezacht het lichaam ontharen, dat schijnt niet te kunnen. Lichaamsontharing geschiedt niet zijdezacht. Zeker niet harsen, waarbij je ook de haarwortel eruit trekt. Dat gaat niet ongestraft. Je benen staan in brand. Haarzakjes raken geïrriteerd, alles wordt knalrood en pas een dag later kun je weer met blote benen over straat. Dit alles vertelt Juliette, vlak voordat ze op deze grove wijze mijn scheenbeen van het lichaamshaar zal ontdoen. Ter voorbereiding controleert ze het grondoppervlak. Qua beenharen laat mijn mannelijkheid me danig in de steek. Veel haar op m’n benen heb ik nooit gehad, stel ik mezelf gerust. Juliette reageert onmiddellijk. ‘Oh, maar dat maakt niet uit hoor. Je hebt echt wel genoeg. Dit wordt heel pijnlijk.’ Zij kan het weten. Zij hield in het verleden weleens harsfeestjes met vriendinnen. Feestjes waar ze elkaar al giechelend en gillend de vellen van het lijf moeten hebben gerukt, ‘zodat er ten minste nog wat lol aan te beleven viel’. Hier geen dolle boel. Terwijl Juliette de harsstrip van het folie ontdoet verandert haar glimlach in een koude, kille blik. Met haar lange nagels wrijft ze meerdere malen de harsstrip over mijn scheenbeen. ‘De hars moet goed warm worden, dan plakt het extra goed.’ Als ze de strip van onderen vastpakt grijp ik m’n vinger (iets anders heb ik niet) en zet me schrap. Daar gaat-ie. Rrrrrrratsch! Au! Valt mee. Of toch niet? Daar komt-ie op. Uit de verte. Zo’n rondzingend, zeurderig, pijntje. ‘Die voel je nog wel een dag hoor’, vertelt ze opgewekt. Op de onthaarde plek verschijnen nu langzaam vele kleine rode puntjes. De boze haarzakjes. De fotograaf kijkt geamuseerd toe. ‘Je been lijkt wel op zo’n bleke kip. Zo eentje die nog in de oven moet’, merkt hij op. Ah, zo zien bezoekers van harsfeestjes er dus ook uit. Kaalgeplukt. Als een bleke kip met pijn. (FS)

kriebelTje

’s Nachts kwam hij bij mij wraak nemen. Hij rende dan over mijn bed. Heel hard. Tussen de kreukels van mijn lakens. Berg op, berg af. Zijn harige poten bewogen haastig. Soms prikten de uiteinden van zijn tengels zo diep in de lakens dat hij een spoor van puntjes na liet. Eerder in mijn kinderjaren was hij op een avond van de gordijnen bij mijn oma afgerend. Met een rotgang kwam hij aanzetten. Uit het niets. Hij roetsjte van boven naar beneden. En schoot zo de vloerbedekking op, om vervolgens onder de salontafel te belanden. Maar toen hij zijn marathon wilde voortzetten was daar de pantoffel van oma. Stamp, stamp, stamp. Een stukje keukenrol. En de prullenbak. In een supermarkt in Bolsward zagen klanten vorige maand tussen de bananen een Braziliaanse loopspin, die een pijnlijke, uren durende erectie zou kunnen veroorzaken. Een paar jaar geleden overleed een man aan een beet van een onbekende spinnensoort in de Roemeense havenstad Constanta. En in 2005 werd een kok in Londen ernstig ziek van een harige spin die hij in een jampot vond. Spinnen zijn eng, gevaarlijk en dodelijk. Het zijn gluiperds. Misbaksels. Viezeriken. Dit is Kriebeltje. Zijn verzorger zet de glazen bak op tafel. Daar zit de Chileense vogelspin, doodstil, op wat schorssnippers. Bruin, harig, groot lijf. Twaalf centimeter. Zijn beet is vergelijkbaar met een bijensteek, krijg ik te horen. We zijn in Tilburg, in dierenpark De Oliemeulen. Sjef van Overdijk vertelt gedreven, het is zijn missie om iedereen te laten weten dat spinnen lief zijn. Het zijn de media die de dieren in een kwaad daglicht zetten. Spinnen zijn bangeschijters, zegt hij. Ze rennen altijd weg, zullen nooit de confrontatie aangaan. Ze zijn nooit agressief. Soms gaan ze wel in de verdediging. Maar een enkeling ter wereld kan kwaad. De spanning in mijn lijf, het zweet op mijn trillende handen, Kriebeltje heeft niets door. Zijn pootjes voelen als zuignapjes. Hij kruipt in mijn haar. Hij vindt het wel prima. Ik twijfel. (JV)