Je bent een overloper

Ook goedemorgen Hafid,

„Uitstekend”, antwoord ik meestal als iemand me in het voorbijgaan vraagt: „Hoe maak je het?” Ik maak het in het voorbijgaan onveranderlijk uitstekend, al staat de tent achter mijn rug op instorten. „Goed”, wil ik ook nog wel eens antwoorden, maar dan verraad ik al te veel. Dan ben ik al te mededeelzaam over de toestand waarin ik me bevind. Goed is niet echt uitstekend.

Het gaat dus goed met je. Dat concludeer ik uit je brief.

Ik had het over thuis zijn en weg willen en toch maar weer een nest bouwen. Ik denk dat jouw sensatie van chaos daar ook iets mee te maken heeft. En de woede die uit die chaos volgt.

Niet alles, iets.

Je bevindt je tussen twee partijen en bij geen van die twee partijen ben je welkom. Je hangt aan een verschrikkelijke draad. Iemand van het kastje naar de muur sturen is er niets bij.

Was jij geen Marokkaan? Nou dan. Je kent de lichtkieren van de woestijntent. Het zand hangt nog in je haren. En al zou je een oranje hoed van schuimrubber opzetten of gaan rondlopen met een collectebus van het Leger des Heils, je blijft Hafid heten. Een speciaal iemand in een land waar, zoals je zou behoren te weten, iedereen Jan, Piet of Klaas heet. En verstandige mensen soms Gerrit.

Maar op de allochtonenzetel, bezet door de moslims, hoor je niet. En wil je niet horen. De Marokkanen van Grijpskerk tot Roermond bekijken je met een argwanend oog. Je hoort niet bij hun clubje. In plaats van dat je braaf en ethisch, aangemoedigd door sluwe Hollanders, een Goed Nieuws Koran uit de hoed tovert, vestig je de aandacht op Arabische poëzie, waarin allemachtig wordt gejeweetweld en ook nog eens erg veel bloot voorkomt.

Je bent een verrader en een overloper, die niets moois weet te smoezen over de vredelievendheid en de hang naar maagdelijkheid, die zo typerend zijn voor de islam. Een would be-Hollander.

Maar ook de Hollanders bekijken je met een argwanend oog. Zolang ik je ken, koester je er een grote weerzin tegen op te treden als woordvoerder van het – ik spreek het uit met enig sarcasme – weldenkende deel der Marokkanen. Je bent zelfs beledigd, ik kan het niet anders omschrijven, als ze je in die rol uitnodigen. Maar of je nu laag springt of hoog, daarvoor willen ze je, een andere rol hadden ze je niet toebedeeld.

Een andere rol wordt je ook niet gegund. Je wordt niet geacht eerlijk te zijn, je wordt geacht te zeggen wat onze o zo weldenkende moslimvriendjes willen horen.

Ik vind dat de baarden niet deugen, zeg je, ik vind dat de eiderdoppen niet deugen, zeg je – HEE NEE, dat was ook weer niet de bedoeling. Ik zeg dat als Hollands burger, roep je er nog bescheiden achteraan – HELA, kom nou, maak het een beetje, pak ons onze Marokkaantjes niet af! Wat zouden wij zijn zonder onze hulpbehoevende Marokkaantjes?

Op dat moment laten de representanten van de integratie hun ware aard zien. Op dat moment veranderen ze weer van hulpverleners in welvarende baantjesjagers met huisje, boompje, gezinnetje, in mensen met een tuinhekje, in mensen met rechten, rechten en ten slotte nog eens rechten.

Je bent niet welkom bij dat soort Hollanders, je bent alleen welkom als je ze opvrijt.

Jij denkt dat je de dingen die je zegt moet zeggen, los van elke club. Maar je mag alleen een rolletje spelen in de geritualiseerde clubschermutselingen. Dat vertik je. Dus hoor je nergens bij. Je bent de prooi van een voorspelbare walging.

Iedereen wil ergens bij horen. Kijk naar de honden.

Hoor nu het goede nieuws, voor je naar de strop grijpt. Het dient nergens voor je ergens thuis te voelen. Daarover binnenkort meer,

je Gerrit