In de schaduw van de bloeiende vagijnen

Nico, zangeres van The Velvet Underground, met (rechts) Jan Cremer Foto De Bezige Bij De Bezige Bij

Jan Cremer: Ik Jan Cremer Derde boek. De Bezige Bij, 544 blz. € 20,–

Hij leverde Bob Dylan de titel voor zijn beroemde lied Visions of Johanna. Hij bracht Andy Warhol op het idee voor zijn tijdschrift Interview. Hij zette The Supremes op het omslag van een muziekblad toen zwarten nog niet op de cover mochten. Hij doorzag de leugens van Jerzy Kosinski, auteur van de geruchtmakende roman The Painted Bird, twintig jaar voordat de literaire goegemeente dat deed. Hij dronk met Willem de Kooning en Janis Joplin, deelde het bed met Nico en Jayne Mansfield, hoorde Tim Hardin voor het eerst If I Were A Carpenter zingen en zag Françoise Dorleac, het veelbelovende zusje van Catherine Deneuve, verongelukken aan de Côte d’Azur.

Jan Cremer, want over hem hebben we het natuurlijk, was de Forrest Gump van het culturele leven in de jaren zestig. Niets kon er gebeuren in New York, Los Angeles, Amsterdam en Nice of hij was erbij. Geen wonder dat hij 44 jaar na Ik Jan Cremer en 42 jaar na Ik Jan Cremer Tweede boek een vervolg breide aan zijn avonturen. Naadloos mag je wel zeggen, want afgezien van de pathologische neiging tot uitweiden en herhalen is er in het schrijven van de ‘wolf in de schaapskooi’ weinig veranderd. Ik Jan Cremer Derde boek is een aaneenschakeling van gevaarlijke reizen, onverwachte ontmoetingen, doldwaze gebeurtenissen, anekdotes en niet te vergeten fenomenaal tietwerk, zachte kanjers, roze spleten, sissende kutten, robuuste schaamlippen, duimgrote clitorissen en volop bloeiende vagijnen. Alle vrouwen willen Ik Jan hebben en alle mannen willen hem zijn – hij is onze polderplatte versie van James Bond.

Alleen, wie wil hem nog lezen? Een bladzijde of tweehonderd na de mooie openingszin (‘Ik schreef een boek, en zou met dat boek wereldberoemd worden’) is het nog leuk, de stoet van ‘zaadvragende’ vrouwen en beroemdheden die allemaal in katzwijm vallen voor de zelfverklaarde ‘eigen meester, niemands knecht’. Maar dan heb je nog meer dan de helft te gaan en begin je sneller te lezen. Tot je uiteindelijk helemaal niet meer geprikkeld wordt door het zoveelste sterke verhaal of absurdistische standje en begint te twijfelen aan het plezier waarmee je 20, 30, 40 jaar geleden de eerste twee Ik Jan Cremer-boeken las.

Zou je Ik Jan Cremer en het Tweede boek nog kunnen omschrijven als moderne schelmenromans, Ik Jan Cremer Derde boek is een collage op zoek naar een auteur. Soms lijkt het alsof Cremer zijn dagboeken uit de jaren 1964-69 verknipt heeft en in willekeurige volgorde aan elkaar geplakt. Welbeschouwd zit er maar één lopend verhaal tussen en dat is wanneer Ik Jan met zijn grote liefde Jayne Mansfield – seksbom en filmster, in die volgorde – een publiciteits- en nachtclubtournee maakt door Zuid- Amerika. De onmogelijke Mansfield, hyperintelligent volgens Ik Jan, oerstom in de ogen van de lezer – brengt haar omgeving tot wanhoop en komt alleen tot rust in het diepst van het Amazonegebied. Maar dan is de parade van geile en onbetrouwbare latino’s ook ons allang te veel geworden.

Cremers favoriete stijlfiguur is de hyperbool: in de seksscènes, waarvan een nummertje met Jayne op de strijkplank nog het meest in de buurt komt van de roemruchte flipstand uit de jaren zestig; in het verslag van zijn liefdesleven (de lijst van groot geschapen vriendinnen is zo lang dat er nooit genoeg weken in Ik Jans jaren kunnen hebben gezeten om die helemaal af te werken); maar ook in het beschrijven van zijn peer group in de jaren zestig: Marlon Brando, ‘Lenny Cohn’, Joan Collins, Claes Oldenburg, Tennessee Williams – allemaal maken ze hun opwachting en bijna allemaal krijgen ze een veeg uit de pan. Sappige en soms ronduit vuige roddels vliegen je om de oren, maar je vermoedt dat ze wel verzonnen zullen zijn, net als het merendeel van Ik Jans avonturen. Wie zou van sprookjesfiguren de waarheid verwachten?

Zelf zegt Ik Jan tegen iedereen die zich afvraagt ‘of het allemaal waar was wat ik geschreven had’: „De historie zal het uitmaken.” Daar heeft hij waarschijnlijk gelijk in, want Cremers aanstaande biograaf (bekendgemaakt bij de presentatie van het Derde boek) is Hans Sleutelaar, en die zou als oude vriend Cremer wel eens té na kunnen staan om de feiten van de fictie te scheiden.