‘Ik ben heusch een vat buskruit’

Planters deugden niet, koelies des te meer. Madelon Székely-Lulofs schreef bestsellers over rubberplantages, maar eindigde als feuilletonschrijver in de Margriet.

Madelon Székely-Lulofs begin jaren dertig Foto uit besproken boek

Frank Okker: Tumult. Het levensverhaal van Madelon Székely-Lulofs. Atlas, 306 blz. € 34,95

‘Het werd een rumoerige maaltijd. Er werd gezongen en geschreeuwd. De hors-d’oeuvre werd door de zaal gesmeten.’ Zo beschrijft Madelon Székely-Lulofs xde wilde taferelen onder planters in haar roman Rubber. Dit romandebuut uit 1931 zou een internationale bestseller worden, de eerste in Nederland. Het boek gaat over woeste feesten in tropische nachten, over botte kolonialen en zwoegende contractkoelies. En niet te vergeten: over hoge rendementen gevolgd door dramatische faillissementen.

Rubber was een ‘fataal’ boek, volgens een van de critici, omdat het wantoestanden in de kolonie beschrijft en de handel in gevaar zou brengen. De roman schetst het leven op de rubberplantages in het oude sultanaat Deli in Noord-Sumatra, waar inheemse arbeiders – koelies – systematisch op grote schaal werden uitgebuit door koloniale ondernemers. Székely-Lulofs (1899-1958) beschrijft zonder voorbehoud de uitspattingen van de razendsnel schatrijk geworden klasse van Europese planters. ‘Toen [...] greep hij haar hardhandig bij de schouders [...], stak zijn hand in haar laag decolleté en ontblootte één van haar kleine blanke borsten. Toen verdween zijn hand geheel onder haar opgesjorden rok.’

Behalve door de bacchanalen werd Rubber vooral een sensatie door het kritische beeld dat Székely-Lulofs neerzet van de ‘Deli-planters’. In Koelie (1932) kiest Lulofs voor de beschrijving van het leven op de rubberplantages het perspectief van een inheemse werknemer. Ook dit boek werd een internationale bestseller.

Expeditie

Al haar – vaak autobiografische – werken veroorzaakten tumult, zo laat de Leidse neerlandicus Frank Okker zien in zijn onlangs verschenen biografie van de schrijfster. Niet alleen Rubber en Koelie, ook De hongertocht (1936), waarin ze het verhaal van een mislukte militaire expeditie in Atjeh uit 1910 reconstrueert, baart opzien. En wanneer Nederland zich opmaakt voor de politionele acties in 1948 publiceert Székely-Lulofs een roman over de Atjehse verzetsstrijdster Tjoet Nja Din.

Madelon Lulofs brengt een groot deel van haar leven door in de kolonie en dat levert mooi materiaal op. Ze is de dochter van een hoge bestuursambtenaar, trouwt op jonge leeftijd met een Nederlandse planter in Deli en hertrouwt na korte tijd met de Hongaarse planter Laszlo Székely. Het paar keert in 1930 terug naar Europa. Aanvankelijk naar Boedapest, maar uiteindelijk vestigen zij zich in Nederland. Hun kapitaal was inmiddels door verkeerde beleggingen in rook opgegaan. Schrijven was een noodzaak.

De schrijfster had drie kinderen, maar liep, zo lijkt het, niet over van moederliefde. Op de vraag wie ze het eerst van een zinkend schip zou redden, haar man of haar kinderen, antwoorddeze: ‘Mijn man natuurlijk. Kinderen kun je altijd nog krijgen.’ Met dit soort anekdotes schetst Okker in zijn biografie Madelon Lulofs als een tegendraadse persoonlijkheid, wars van conventies. De biograaf leunt soms zwaar op wat zijn hoofdpersoon over zichzelf te melden heeft. Zo wordt haar explosieve karakter geïllustreerd door een citaat van Lulofs: ‘Ik ben heusch een vat buskruit. Sta een heele tijd stilletjes in een hoek en spring opeens uit mekaar.’

Okker neemt in zijn biografie wat zijn methode en stijl betreft de kleur aan van zijn onderwerp. Stilistisch schakelt hij over op de soms wat oubollige Joop ter Heuliaanse vlotheid van haar privécorrespondentie. Bij de beschrijving van het leven van zijn hoofdpersoon volgt hij ook haar ‘realistische’ procedé, waarbij de relatie tussen oorzaken en gevolgen meestal via de kortste route wordt gelegd. Dus: de dochter heeft een vurig temperament omdat beide ouders dat ook hebben. De dochter, die zelf een krokodil neerschiet, is krachtig net als haar moeder: die sliep met een revolver onder haar kussen bij afwezigheid van de vader.

Misdadigers

De rest van Madelon Lulofs’ karakter wordt verklaard vanuit het milieu waarin zij opgroeit. Doordat ze als kind veel omging met inheemse bedienden en gevangenen die op het erf werkten, zou zij in haar romans vaak belangstelling tonen voor de underdog en misdadigers niet veroordelen. Dat Székely-Lulofs hiermee aansluit bij een bestaande literaire traditie vermeldt de biograaf niet. Ook niet dat haar werk goed past in de Indisch-Nederlandse letteren. Al sinds Max Havelaar (1860) is de Indische roman bekend om zijn kritische visie op het koloniale systeem. En sinds De stille kracht (1900) van Couperus wordt die nadrukkelijk geassocieerd met pikanterie.

Interessant is wel dat de biograaf inzicht verschaft in het financiële leven van de auteur. Rubber en Koelie waren kassuccessen, maar uiteindelijk drogen de inkomsten op. Uitgevers verliezen hun belangstelling voor nieuwe romans van Székely-Lulofs en zo belandt zij als feuilletonschrijver bij het damesweekblad Margriet. Madelon Lulofs overleed aan een hartaanval, terwijl zij levend op koffie, drank en sigaretten probeerde nóg een roman in afleveringen te voltooien voor Margriet. Ze werd 59 jaar.

Het werk van Székely-Lulofs is in de loop der jaren wisselend gewaardeerd. Het werd goed ontvangen door eigentijdse lezers en critici – al verwees Ter Braak haar romans naar de prullenbak. Ze raakte na enige tijd in de vergetelheid om in de jaren tachtig tijdelijk gereanimeerd te worden door Rudy Kousbroek. Recentelijk schreef Kester Freriks een bewonderende roman over Lulofs: Madelon. Freriks baseert zich overigens vaak op dezelfde documenten als Okker. De laatste gaat in op de historische context, maar laat sommige literair- historische vragen onbeantwoord. Soms scheert Okker langs de oppervlakte, maar al met al is zijn boek goed leesbaar. Tumult levert, zoals de ondertitel meldt, het levensverhaal van Székely-Lulofs. Niet meer, maar ook niet minder.