Het lokale geploeter der oud-SP’ers is nu nog actueel

Koos Vorrink Foto AP Associated Press

Ron Blom: De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928). Eburon, 308 blz, € 27,50

Bernard Rulofs: Een leger van priesters voor een heilige zaak. SDAP, politieke manifestaties en massapolitiek 1918-1940. Wereldbibliotheek, 400 blz, € 34,90

Op 13 januari 1935 trokken zo’n 40.000 Amsterdammers in optocht en begeleid door fanfaremuziek – vanuit acht verschillende wijken naar de Centrale Markthallen in het centrum van de stad. De bijeenkomst werd ingeluid met een donderpreek van de sociaal-democraat Koos Vorrink. Hij hield een pleidooi voor het Plan van de Arbeid – het sociaal-democratische antwoord op de economische crisis. Daarna werden bijna alle lichten in de zaal gedoofd zodat er een pad van licht ontstond en traden de vaandeldragers naar voren. De afdelingsvoorzitter betrad nu het podium en zwoer plechtig al het mogelijke te doen om het Plan te verwezenlijken. Daarna nam hij de ‘gewijde’ vlaggen in ontvangst terwijl het publiek de eed bekrachtigde met een luid ‘Op voor arbeid, vrijheid, brood, op voor het Plan van de Arbeid!’

Met deze bijna religieuze bijeenkomst begint historicus Bernard Rulofs zijn studie naar de sociaal-democratische massabijeenkomsten in het interbellum. Dat fenomeen werd toen door de socialisten volledig uitgebouwd. Ze organiseerden niet alleen 1-meivieringen maar ook grootse campagnes tegen de vlootwet en voor het Plan van de Arbeid. Rulofs toont aan dat de massabijeenkomsten meer waren dan slechts politieke drukmiddelen, ze dienden ook om de sociaal-democratische gemeenschap samen te binden. De demonstraties moesten niet alleen de macht van de socialisten aan de buitenwacht tonen, maar ook aan elkaar.

Voor de leiding hadden de bijeenkomsten nog een andere functie: ze moesten de sociaal-democratische massa disciplineren. Volgens Rulofs waren de massamanifestaties voor de partijleiding een constante bron van zorg, Koos Vorrink wijdde er zelfs een hele brochure aan. Bij demonstraties moest men marcheren in plaats van sloffen, tijdens manifestaties moest men niet eten of gezellig met elkaar babbelen, maar orde en kracht uitstralen! De leiding ging steeds verder in haar pogingen de deelnemers te disciplineren tot een ordelijke, gezag uitstralende menigte.

Een kleine groep socialisten ergerde zich mateloos aan deze belerende en neerbuigende houding. Zij streefden naar een ‘vrij’ socialisme, zonder de hiërarchie die de SDAP kenmerkte. Aan het einde van WO I stichtten zij de ‘oude’ SP, die in 1918 zelfs een Kamerzetel in de wacht sleepte. De SP’ers kwamen vooral uit de anarchistische beweging. Hun vroegere kameraden waren dan ook kritisch. Waarom moest men nu opeens actief zijn in het zo verfoeide parlement? Het lukte de partij dan ook niet om haar basis te verbreden. In 1922 ging de Kamerzetel definitief verloren en in 1928 werd de partij opgeheven.

Historicus Ron Blom beschrijft voor het eerst de geschiedenis van deze vooroorlogse partij. Hij besteedt veel aandacht aan de politiek van de SP, maar gaat ook in op het lokale partijleven. De SP was sterk in de Randstad en het noorden van het land en werd gedragen door lokale volkshelden zoals de Deventer Johannes Roebers die een sigarenhandeltje dreef en elke zaterdag op de markt stond om zijn waar te verkopen én arbeiders met woord en daad te helpen. In de gemeente Weststellingwerf werd de stoelenmaker Johannes Mooij op handen gedragen. Hij zou bijna een halve eeuw gemeenteraadslid blijven.

Aan de hand van krantenberichten, brieven en interviews weet Blom een beeld te schetsen van de kleine maar hechte lokale netwerken waarbinnen de radicale socialisten zich bewogen. De SP’ers krijgen zo een eigen gezicht. Vooral interessant is dat Blom de lokale netwerken blijft volgen nadat de landelijke partij was opgeheven. In de meeste plaatsen bleven deze gewoon intact en soms ging men daar simpelweg verder onder de naam SP.

Rulofs legt in zijn studie geen link met het heden, hij rechtvaardigt zijn onderzoek vooral vanuit de stelling dat er nog nooit cultuurhistorisch onderzoek is gedaan naar sociaal-democratische massapolitiek in het interbellum. Dat mag, maar toch blijft er iets knagen. Geschiedschrijving met een doel is toch prikkelender dan een wetenschap om de wetenschap. Blom trekt in zijn studie juist wel een duidelijke lijn met het heden, in de eerste plaats doordat hij veel aandacht besteedt aan de ‘gewone’ partijleden en hun belevenissen. De SP’ers worden zo mensen waarmee men zich kan identificeren en die inspirerend kunnen zijn voor huidige activisten. Zij kunnen zich ook gesterkt voelen door Bloms conclusie dat lokale netwerken vaak sterker zijn dan landelijke partijen en dat het ‘geploeter’ op afdelingsniveau van groter belang is dan soms wordt gedacht.