Het heden als een historisch verschijnsel

Het is maar één zaaltje in het Haags Gemeentemuseum, maar toch jaagt de expositie schrik aan. Want het ondenkbare dreigt immers werkelijkheid te worden: roken wordt met ingang van 1 juli a.s. verboden in alle openbare gelegenheden, zoals cafés, nachtclubs en wat dies meer zij. Overal dus eigenlijk, behalve thuis, of op straat.

Ernest Utermark, van het museum, heeft voor Smoking / No smoking (overigens de titel van een film van Alain Resnais, maar dat heeft men zich in het Gemeentemuseum vermoedelijk niet gerealiseerd) een beroep gedaan op de collecties van het museum zelf, die behalve kunstvoorwerpen ook kunstnijverheidsproducten omvat.

Het resultaat is een kleine ‘presentatie’, zoals de expositie bescheiden genoemd wordt – zonder echte klappers wellicht, maar met een voor toegewijde rokers zoals ik niettemin fatale gevoelswaarde. Want wat moet er in ’s hemelsnaam terecht komen van mijn leven, van mijn werk, van mijn gezelligheid, van mij kortom, wanneer er straks nergens meer gerookt kan worden?

Moet ik me, om het vol te houden in het café, dan maar klem gaan zuipen, nu het door decennia ervaring gevonden, wankele evenwicht tussen de benevelende werking van de alcohol en de enerverende werking van de sigaret niet langer opgeld doet?

En hoe gaan al die andere rokers dat trouwens doen? Buigen zij het hoofd voor de betuttelende overheid, die dit alles heeft verzonnen en laten ze zich massaal de straat opsturen, tot ergernis van de omwonenden? En hoe moet dat straks, als het weer winter wordt, en nu al, als het regent?

Bij zoveel prangende vragen komt de opstelling in het Gemeentemuseum (te zien tot 19 oktober) nu al over als een getuigenis uit vroegere, betere tijden. Paul Schuitema's zelfportret uit 1974, die vanaf de foto de kijker een sigaret uit zo'n elegant etui aanbiedt, naast een reclameaffiche van dezelfde kunstenaar uit 1935 voor de Wonderasbak – geen stank, geen rook, door een ingenieus dekseltje . Pat Andrea's fascinerende schilderij Een sigaret opsteken in Buenos Aires uit 1942. En natuurlijk de asbak van Piet Mondriaan, wiens New Yorkse atelierinterieur in bezit van het museum is.

Die asbak valt nogal tegen eigenlijk: een vierkant glazen ding met in het midden een kuiltje – het soort voorwerp dat op Koninginnedag geen kopers vindt ofschoon het maar vijftig cent kost. Maar het is aan de andere kant ook wel mooi, dat vanzelfsprekende van roken dat uit die ‘gewone’ asbak spreekt. En die trouwens ook naar voren komt uit foto’s van Emiel van Moerkerken of Eddy Posthuma de Boer – die portretten zijn niet gemaakt om roken in beeld te brengen, maar de sigaret komt achteloos mee met de geportretteerde. Er hangt trouwens ook een prachtige foto van Gerard Fieret, van een heel gewone asbak.

Dat roken niet altijd vanzelfsprekend is geweest, blijkt ook uit de presentatie: op prenten uit de Negentiende eeuw worden tabak en roken nog vaak als iets exotisch voorgesteld, met plaatjes van koloniale toestanden, inboorlingen of rokende aapjes. Bij wijze van grap hangt aan de muur de tekst: „Deze tentoonstelling is niet schadelijk voor de gezondheid”. Maar als overtuigd roker ben ik niet zo in de stemming voor grapjes: wie zich zo overtuigend tot een historisch verschijnsel ziet gebombardeerd, voelt zich een levend lijk.