Guerrilla

Ik ken iemand die er zo graag goed uit wil zien dat ze zelden de deur nog uitkomt. Ze is altijd bezig met het perfectioneren van haar kapsel, en wanneer haar haren eindelijk in het gewenste model zitten, begint het zoeken naar de juiste schoenen. Ze heeft meer dan dertig paar schoenen, maar omdat elk moment vraagt om een specifiek soort schoen, is haar collectie natuurlijk niet toereikend. Wanneer ik haar vraag of ze denkt dat het werkelijk uitmaakt of haar panty’s zeegroen of zeewiergroen zijn, zucht ze diep. Meestal lukt het haar niet de juiste combinatie kledingstukken te vinden en voelt ze zich gedwongen thuis te blijven. Ik heb zelden iets treurigers gezien dan deze mooie vrouw die ervan overtuigd is dat ze een belediging zou zijn voor het straatbeeld als ze een voet buiten de deur zette.

Ik schrok toen ik haar zag liggen op een opening bij De Appel. Ze was van een trap gevallen en lag roerloos over de treden gestrekt. Het cocktailglas dat ze had vastgehouden was uit haar hand gevallen en er was een lichtblauwe drank uitgevloeid, in dezelfde kleur als de trap. Ze droeg zwarte hooggehakte schoenen, een wijde zwarte broek en een glimmend topje dat deed denken aan het bovenstuk van een baljurk. De geföhnde haren lagen te glanzen op de vloer, haar kleding was tot in de puntjes verzorgd. Het geheel vormde een glanzende, feestelijke verschijning, waar iets heel erg mis mee was.

Toen ik dichterbij kwam zag ik dat het niet mijn perfectionistische vriendin was die hier een rotsmak had gemaakt, maar dat het om een performance ging.

Leander Haaitsma (Den Haag, 1972) voerde een van haar ‘Curious Accidents’ uit. Van een bordje dat ze vlak voor haar val aan de muur gehangen moet hebben, begreep ik dat dit het derde wonderlijke ongeluk was dat ze had uitgevoerd. Eerder wrong ze zich al in een ongemakkelijke houding in het Stedelijk Museum, en op Art Amsterdam.

Het feit dat Haaitsma een ongeluk voor zichzelf bedenkt zou slechts zelfkwelling zijn als het er niet zo aantrekkelijk uit zag. Ik moest denken aan de modefotografie van Guy Bourdin (Parijs, 1928-1991) die, als een schilder een klodder verf, een bloedplas naast een wit bepoederd gezicht kon leggen. Zijn modellen zagen eruit als poppen, en lagen in de meest ongelukkige houdingen in verzorgde maar anonieme decors als hotelkamers.

Ik weet niet hoe de andere plekken er uit zagen die Haaitsma koos voor haar ongelukken, maar het hoekje in De Appel is even anoniem en strak als de decors van Bourdin. Ze geeft hiermee commentaar op de kale ruimtes die de meeste galeries en musea voor kunstenaars willen zijn. Om in zo’n witte kubus een hopelijk nog ademend lichaam te leggen is een krachtige daad.

Haaitsma was niet uitgenodigd door De Appel om werk te tonen. Ze voert elegante guerrilla-acties uit, door een galerie of museum te bestuderen en er vervolgens een site-specific performance voor te bedenken. Een performance duurt tot ze gevraagd wordt het pand te verlaten.

Ik heb lang naar de roerloze, verontrustende verschijning op de vloer gekeken. Mensen kwamen vanuit aangrenzende ruimtes toegestroomd om haar te bewonderen. Ik hoopte dat ze niet al te snel weggestuurd zou worden. Maar toen er bij mijn vertrek nog steeds geen bewaker was langsgekomen, begon ik me zorgen te maken. Misschien ligt ze er nog steeds.