Een waar spervuur van snedigheden

Kate Atkinson: Wachten op goed nieuws. Vertaald door Inge Kok. Atlas, 381 blz. € 19,90

De Here zij geprezen om Kate Atkinson, een Britse die schrijft met een zeis. Alle menselijke zwakheden en lelijkheden gaan onder haar pen neer als ruisend koren, met bossen tegelijk achteloos weggemaaid. De lezer volgt de hoofdpersonen – ook in Wachten op goed nieuws weer vier sociale en emotionele misfits – met hinnikend gegrinnik op hun tocht langs de vele potsierlijke bijfiguren.

Atkinson, die met haar debuut Achter de schermen Rushdie en Amis versloeg bij de Whitbread Award 1995, beweegt zich in haar boeken in het thrillergenre en torent hoog boven de meeste andere beoefenaars uit. De preciezen onder de thriller-liefhebbers zullen haar uitgebreide verkenningen van de menselijke emotie afkeurend ‘te literair’ noemen, maar de rekkelijken zullen er op wijzen dat er al op pagina vier een uitgemoord gezin in een korenveld ligt te bloeden, inclusief de 1-jarige Joseph in zijn wandelwagentje. Dat thrillt, en dat Atkinson zo goed kan schrijven dat je op pagina één tot en met drie al een band met de gezinsleden krijgt, is alleen maar een bonus. Vooral met de zesjarige Joanne, het enige gezinslid dat de slachting overleeft. Na deze bloedige proloog reist Atkinson dertig jaar in de tijd vooruit, als het monster dat Joanna’s gezin uitmoordde weer vrij komt. Joanne verdwijnt en adjudant-inspecteur Louise Monroe onderzoekt dit feit, aangespoord door het zestienjarige weesmeisje Reggie, Joanna’s au pair.

Naast Jackson Brody, de geweldige ex- agent, ex-privédetective en rijkaard uit de eerdere boeken, is Reggie de best uitgewerkte persoon. Dit opgewonden Edinburghse meisje ‘hield van Dickens; zijn boeken zaten vol kranige, in de steek gelaten wezen die zich moeizaam een weg zochten door het leven’ en fungeert als surrogaatdochter voor Monroe en Brodie, met wier romance het door Atkinsons inventieve gegoochel met toeval desondanks niet erg vlot. Het spervuur van snedigheden, dat de eerste twee Brodie-boeken wat vermoeiend maakte, is getemperd, wat zowel winst als verlies is.

Wat is gebleven, is de fabelachtige ironie waarmee Atkinson haar slachtoffers voor schut zet, en het mooie gebruik van Atkinsons mini-tijdmachine die de actie steeds onderbreekt met gebeurtenissen van een half uurtje geleden. Alleen al om de progressie van de vaste karakters te kunnen waarderen, is het raadzaam eerst Oude Zaken en Een goede daad te lezen (die eerste nu voor tien euro), eventueel in Atkinsons vlijmscherpe Engels, hoewel de vertalingen van Inge Kok van uitzonderlijke kwaliteit zijn.

    • Robert Gooijer