Een kruik vol veren

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, een heel erg oud moppenboek.

De grapjas. Een moppenboek uit de oudheid. Vertaald en ingeleid door Patrick De Rynck. Athenaeum - Polak & Van Gennep. 96 p. € 12,50.

Ik herinner mij nog goed mijn eerste humor. Dat was in het Okki- en Taptoe Vakantieboek. Ik was een jaar of vijf, zes, en zag een stripje, over een verstrooide professor. Hij kon de moeilijkste dingen uitvinden in zijn ingewikkelde laboratorium. Op het laatste plaatje zagen wij hem in zijn keuken. Hij ging een ei koken. Professorenhoed op het hoofd. In het steelpannetje op het vuur lag zijn horloge, door hemzelf afgegespt, in het borrelende water. De verstrooide professor keek intussen naar het ei in zijn hand. Hij hield het op leesafstand voor zich, als een boek, en hij las het aandachtig, zonder op of om te zien – zelfs zonder één blik te werpen in het pannetje.

Dit moest humor zijn, zoveel begreep ik er ook wel van. Wat een gekke professor! Hij gooit zijn eigen horloge zomaar in kokend water! Maar stiekem was ik jaloers op die man, verdiept in het lezen van zijn ei. Wij, verzamelde Okki- en Taptoelezertjes, bladerend door ons vakantieboek, konden hem aan deze kant van de strip uitlachen om zijn verstrooidheid, maar hij had daar wel mooi iets dat wij niet hadden: een eigen wereld en een eigen logica. En zo vreemd was zijn gedrag welbeschouwd niet voor een kind dat zichzelf gemakkelijk kon verliezen in staren, dagdromen en zoekraken in sprookjeswerelden met eigen regels en wetten.

Nog een mop. Het zoontje van een sukkel is met een bal aan het spelen. De bal valt in een waterput. De jongen buigt zich voorover, ziet zijn spiegelbeeld en vraagt zijn bal terug. Maar hij krijgt hem niet. Hij beklaagt zich bij zijn vader. Die gaat met zijn zoontje mee, buigt zich op zijn beurt over het water, ziet zijn spiegelbeeld en zegt: ‘Meneer, geef die jongen nou toch zijn bal terug!’ Ook hier zal de bedoeling wel zijn dat we lachen om de domme jongen en zijn nog dommere vader, maar ook hier lukt me dat niet echt. Ondanks alles ben ik toch ook weer jaloers op die eigen wereld van vader en zoon sukkel, met die eigen logica en die consequent doorgevoerde domheid. Het is waanzin, maar er zit systeem in.

Deze mop is te vinden in Filogelos, het enige bewaard gebleven moppenboek uit de Grieks-Romeinse oudheid, ergens tussen de derde en de zesde eeuw na Chr. samengesteld, nu voor het eerst volledig vertaald, onder de titel De grapjas. Er zit een serieuze humorinleiding bij, voorzien van humorbibliografie. De 265 grappen zijn goed vertaald, en waar nodig van voetnoten voorzien. Het zal filologisch en historisch wel kloppen, maar met de oudheid hebben deze grappen niet veel te maken. Vraag: ‘Waar woon je?’ Antwoord: ‘Thuis.’

De beste grap staat in de inleiding. Daarin zegt vertaler De Rynck zelf dat je dit boek niet hoeft te lezen als je graag ‘van de bank wilt rollen van het lachen’, want ‘het zijn vaak doodgewoon slechte moppen’. Dat mag hij vinden. Maar voor wie niet uit is op een bulderlach valt hier meer dan genoeg te beleven: geen 265 grappen, maar 265 inkijkjes in de logica van de sukkel. Het is een wereld waar ik graag bij wil horen. Slaapt het niet lekker met je hoofd op een aarden kruik? Hier is een gouden tip van 1500 jaar geleden: ‘Vul hem dan met veren.’

De grapjas. Een moppenboek uit de oudheid. Vertaald en ingeleid door Patrick De Rynck. Athenaeum - Polak & Van Gennep. 96 p. € 12,50.
    • Guus Middag