Een jager, maar een jager met een hart

Jaap Scholten: De wet van Spengler. Contact, 272 blz. € 19,95

Afgelopen zomer schreef Jaap Scholten in het Cultureel Supplement van deze krant enkele brieven aan Tommy Wieringa . In die brieven schreef Scholten over zijn verdriet na het overlijden van zijn oudste broer. Die komen je onvermijdelijk in gedachten wanneer je De wet van Spengler van Scholten leest, ook al omdat een aantal scènes uit zijn brieven terugkeert in de roman. In zijn nieuwe roman probeert de verteller, Frederik Spengler, een beeld te schetsen van zijn jeugd en familie, tegen de achtergrond van de ongeneeslijke ziekte van zijn oudste broer, Julius.

De Spenglers stammen langs twee kanten af van rijke ondernemersfamilies die – met glas whisky in de hand – in mild verval zijn geraakt. De neergang is het pijnlijkst bij de vader van Frederik, die kort na de geboorte van zijn vijfde zoon Boris in een inrichting belandt, alwaar hij ‘van een brancard valt’ en overlijdt. Deze later in het boek subtiel als zelfmoord aangeduide dood plaatst Julius, de oudste van de Spengler-broers, in een soort vaderrol. Scholten beschrijft deze Julius als een even liefhebbende als roekeloze broer en later als een fijne man; een jager, maar een jager met een hart.

De portrettering van de dode broer is het sterkste punt van De wet van Spengler, een roman die uit literair oogpunt nogal tegenvalt. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de alledaagse stijl die Scholten hanteert. Die loopt vaak uit op een opeenstapeling van mededelingen: ‘Gedrieën raceten we door de poort onder ons huis door, door de zware groene deur, door de bijkeuken, de keuken, de trap omhoog, de kamer van Boris in. Bo deed zijn middagslaapje. Boris’ kamer was aan de achterzijde van het huis en bood uitzicht op de achtertuin en op het laatste stukje van de steeg tot aan de groene poort […]’ Niet iedereen hoeft te schrijven als Flaubert, maar dit is wel heel wezenloos genoteerd. Op de momenten dat Scholten zich tot meer lyriek laat verleiden is het amper beter. Een van de cruciale beelden die hij van de getourmenteerde vader schetst is dit: ‘Hij liep heen en weer aan het voeteneinde van het bed en bespeelde de viool als een dronken houthakker die met een grof gekartelde zaag zo snel mogelijk een eeuwenoude boom probeerde om te zagen.’ Als je het driemaal leest zie je wel voor je wat Scholten moet bedoelen, maar een krachtige formulering is anders.

Een verwant gebrek aan scherpte kenmerkt de inhoud van de roman. Tussen de regels door raakt Scholten aan veel interessants uit de familiegeschiedenis: de dramatische ondergang van de vader van de verteller, de suggestie van overspel van een grootvader, niet geheel opgehelderde oorlogszaken, het opmerkelijk initiatiefloze karakter van de verteller en zo meer. Maar tot meer dan aanstippen komt het niet. De hele roman is doordrongen van een diep verlangen naar eenheid, naar het benoemen van de harmonie in deze familie. Daarbij belandt Scholten zelfs bij clichés als echtelieden die in de loop der tijd ‘precies in elkaar’ zijn gaan passen.

Nu is het zoeken naar harmonie en het ophalen van mooie herinneringen een natuurlijke en misschien zelfs noodzakelijke impuls om groot verdriet te verwerken. Daar hoort een zeker verlangen bij om geen verdere narigheid aan de dood toe te voegen. De wet van Spengler lijkt in de eerste plaats een uiting te zijn van dat menselijke verlangen, veel meer een uiting van liefde voor een gestorven familielid dan van een artistieke missie. Het is als met een mooie toespraak op een begrafenis: een geschenk voor de nabestaanden, maar eigenlijk ook alleen voor die nabestaanden.

    • Arjen Fortuin