Een drama dat zich in stilte lijkt te voltrekken

Pascal Mercier: De pianostemmer. Vertaald door Gerda Meijerink. Wereldbibliotheek, 447 blz. € 22,50 In zijn roman De pianostemmer (Wereldbibliotheek, €22,50) schrijft Pascal Mercier over een verloren gezin. Zijn studie gaat heel diep, aldus Anneriek de Jong. Zie pagina 14

Pascal Mercier: De pianostemmer. Vertaald door Gerda Meijerink. Wereldbibliotheek, 447 blz. € 22,50

Het is een theatrale moord: tijdens een uitvoering van de opera Tosca wordt een beroemde tenor doodgeschoten. Antonio di Malfitano zakt op het open toneel in elkaar. De lezer van De pianostemmer weet dat al heel snel. Maar het waarom van de moord ontvouwt zich tergend langzaam.

Pascal Mercier laat twee vertellers naar de toedracht zoeken. Dezelfde gebeurtenissen beschrijven zij ieder net iets anders. De vader van deze vertellers belandde na de moord in de gevangenis en zijn kinderen vragen zich vertwijfeld af hoe de bescheiden pianostemmer Frédéric Delacroix het fatale schot kon lossen. Het verhaal van hun vader vermengt zich met hun eigen merkwaardige geschiedenis. Patrice en Patricia zijn een tweeling. Ze deden alles samen. Op een dag ging hun versmeltingswens over de taboegrenzen heen.

Patricia raakte zwanger van Patrice, ze pleegde abortus en vluchtte. Tegelijk met hem. Hij verstopte zich in het Chileense Santiago, zij ergens in Parijs.

Het is een wonder dat deze incest-story niet in kitsch ontaardt. Mercier verstaat de kunst om levensgrote drama’s zo behoedzaam te noteren dat zij zich in stilte lijken te voltrekken. Zijn roman heeft wel de ernst van een opera maar niet de luidruchtige pathos. De voorkeur van de Zwitserse schrijver gaat uit naar schuwe mensen. Die spanning oproepen, bij anderen en bij zichzelf, omdat ze bezeten zijn. De grauwe leraar Raimund Gregorius in Nachttrein naar Lissabon is van een Portugese dichter bezeten; de onzekere wetenschapper Philip Perlmann in Perlmanns zwijgen is geobsedeerd door het vergeten.

En Frédéric Delacroix, de pianostemmer? Zijn bezetenheid geldt het verlangen naar erkenning. Niet als een internationaal gewaardeerde Steinway-specialist wil hij herinnerd worden, maar als een groot kunstenaar. Vol verwachting schrijft hij veertien opera’s – die nooit worden opgevoerd.

Eigenlijk heet hij Fritz Bärtschi. De zoon van een serveerster moest op zijn zevende naar het weeshuis. Daar minachtten de leraren hem. De vernederde Fritz zon op wraak. Hoe iemands zelfbeeld wordt bepaald door het beeld dat anderen van hem hebben, dat is een van de hoofdthema’s van het boek.

Het bittere is dat er in het leven van de volwassen Fritz nauwelijks anderen zíjn. Onder een glazen stolp slijt hij zijn dagen. Zelfs zijn kinderen willen niets van zijn muziek weten, ziek als zij worden van zijn gefnuikte ambities.

Antonio di Malfitano, volgens Delacroix de oorzaak van zijn mislukking, is dan al doodgeschoten. Niet eens door hemzelf. Zijn vrouw voerde de daad uit, want ook zij fixeert zich volledig op de Italiaanse tenor. Hij was eens haar minnaar. En liet haar botweg zitten, met een gebroken hart, een gebroken heup en in haar buik een tweeling.

Ook haar portret is subtiel getekend. Je ziet Chantal de Perrin al voor je, een meisje van goeden huize, een gevallen balletkoningin, broos, vroeg oud, teleurgesteld tot op het bot. En je voelt niet zozeer medelijden voor dat noodlottig met elkaar verbonden echtpaar maar eerder tederheid. Want het weeskind en de patriciërsdochter houden van elkaar, zoals de twee vertellers op hun manier ook van hun ouders houden.

Over intimiteit en afgrenzing gaat dit boek, over eenzaamheid en verstikkende nabijheid. En over kapotte dromen natuurlijk, over vergeefsheid en verborgen passies. Een beetje zoals in Gloed (1942) van Sándor Márai. Er is nóg zo’n slecht bij zijn tijd passende schrijver aan wie Merciers werk doet denken.

W.G. Sebald (1944-2001) ontvluchtte net als Pascal Mercier, die eigenlijk Peter Bieri heet, de benauwende Duitstalige provincie. Hij werd net als Mercier een Europees wetenschapper die zich uiteindelijk meer voor de raadselen van de ziel dan voor sluitende bewijzen interesseerde. Sebalds figuren zijn even schuw, even gewond en even beschaafd als die van Mercier.

Maar bij Mercier is er met die beschaving iets raars aan de hand. Frédéric Delacroix lijdt er in feite onder. Zijn nieuwe identiteit past niet bij zijn oude, zijn oude niet bij zijn nieuwe. De wens om grandioze opera’s te schrijven geeft hem net zo veel krampen als zijn Franse naam.

Grote politieke thema’s snijdt Mercier niet aan. Maar zijn studie van een verloren gezin gaat diep, heel diep. De pianostemmer is, ondanks de onbehuisdheid van de personages, een boek om in te wonen.