‘Die militair was ik’

Arnon Grunberg is in Irak. Deel 18 van een serie.

Het is zover. Vandaag zullen we er niet op uit trekken om met Irakezen thee te drinken, we zullen Irakezen arresteren. Vanuit Camp Fallahat trekken we naar een dorpje bij de rivier waar het relatief groen is. Ik ben ingedeeld bij een ander ‘platoon’. En we hebben een hond bij ons die getraind is om explosieven te vinden. Archie heet de hond.

Sergeant Ritt vraagt aan mij: „Heb je Fahrenheit 9/11 gezien?”

„Die militair in die film”, zegt de sergeant, „die verklaarde dat het zo heerlijk was om door Bagdad te rijden en op Irakezen te schieten. Dat was ik. Het heeft me jaren achtervolgd.”

Een huis wordt doorzocht. Ik moet in de tuin blijven. Sergeant Antone gooit een leeg flesje water in de blauwe bestelbus van de familie wier huis doorzocht wordt. Mijn begeleider Frieling zegt: „Geeft niet. Irak is toch één grote vuilnisbelt.”

Als de huiszoeking voorbij is, zitten drie mannen met plastic handboeien om op het stoepje van hun huis. Er is materiaal gevonden om bermbommen te maken.

Met sergeant Ritt ga ik naar het huis ernaast, waar niemand wordt gearresteerd. Een Irakees van 54, met de voornaam Adnan, van beroep mechanicus, verklaart: „We hebben een nieuwe Saddam nodig. Zonder een dictator wordt het niets in dit land.”

„Wil iemand nog iets vragen?”,informeert kapitein Shain. „Ja”, zegt een man. „Waarom hebben jullie goud in het huis hiernaast gestolen?” „Wie zegt dat?” wil de kapitein weten. „Omar”, zegt de man.

Ogenblikkelijk snellen we naar het eerste huis waar de gearresteerde jongemannen inmiddels zijn afgevoerd. „Waar is Omar?” buldert de kapitein. Een magere Irakees komt naar buiten. „Wat voor fabeltjes vertel jij”, schreeuwt de kapitein. „Moet ik jou ook laten arresteren?”

Een heel oud vrouwtje komt jammerend naar buiten met een tasje waarin, beweert ze, goud heeft gezeten.

„Ik zeg niet dat jullie het hebben gedaan”, zegt Omar, „maar de soldaten van het Iraakse leger.”

Het Iraakse leger helpt ons bij deze operatie. „We moeten het oplossen”, zegt de kapitein. „Hoeveel geld hebben we bij ons?” vraagt hij aan zijn luitenant.

„Ongeveer zestienhonderd dollar”, antwoordt de luitenant. „Vraag dat vrouwtje hoeveel haar goud waard was?”Het blijkt ongeveer zestienhonderd dollar waard te zijn geweest. Ze ontvangt zestienhonderd dollar.

De kapitein zegt: „En nou wil ik niet meer horen dat wij goud stelen. Nou wil ik horen dat de coalition forces fantastisch zijn.”

„Ja, ja”, zegt het vrouwtje. Ze roept dat Allah haar getuige zal zijn.