Democratie of revolutie?

Het Amerikaanse democratisch project in Irak is mislukt. Wat zijn de gevolgen in het Midden-Oosten en blijven de autoritaire regimes in het zadel? Of zal de seculiere oppositie zegevieren?

Zo'n 3.000 Jordaniërs protesteerden in juni 2006 in Amman tegen het bezoek van Jordaanse leden van het Islamic Action Front aan de familie van de vermoorde Al Qaeda-leider Al Zarqawi in Irak Foto AFP Jordanians protest in Amman, 15 June 2006 against the visit made by four Jordanian Islamist MPs, from the "Islamic Action Front", to the family of slain al Qaeda leader in Iraq, Abu Musab al-Zarqawi. Some 3,000 demonstrators headed today from parliament towards the Radisson SAS, one of three Amman hotels targeted last November by suicide bombers in attacks that killed 60 people and were claimed by Zarqawi's group. AFP PHOTO/KHALIL MAZRAAWI AFP

Robin Wright: Dreams and Shadows. The Future of the Middle East. Penguin, 480 blz. € 22,–

Tamara Cofman Wittes: Freedom’s Unsteady March. America’s Role in Building Arab Democracy Brookings Institution,176 blz. €14,-

Van tijd tot tijd valt het de buitenwereld opeens op dat er zoveel autocratische regimes aan de macht zijn in de Arabische wereld – en ook al zo lang: vanaf hun onafhankelijkheid in de meeste gevallen. Dan dringt zich, vanuit het westerse vooruitgangsdenken, het idee op dat dit onmogelijk zo kan voortduren; er moet wel verandering komen, met of zonder aanmoediging van buitenaf.

Toen eind jaren tachtig, begin jaren negentig de Oost-Europese communistische regimes een voor een ten val kwamen, met de ineenstorting van de Sovjet-Unie als hoogtepunt, werd voorspeld dat de Midden-Oosterse autocraten hen snel zouden volgen. Tien jaar stagnatie later, na de Al-Qaeda-aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington met zoveel daders uit het Midden-Oosten, zegde de Amerikaanse president George Bush hun de wacht aan. In een democratische omgeving gedijen extremisten niet, meende hij. Daarom zou Amerika regering haar koesterende hand voor haar bondgenoten onder de autocraten terugtrekken. „Zestig jaar excuses en begrip voor het gebrek aan vrijheid in het Midden-Oosten” waren ten einde, zei hij.

Weer twee jaar later werd de Amerikaans-Britse omverwerping van het regime van Saddam Hussein, de onbetwiste kampioen der despoten, onder de paraplu van vrijheid en democratie gebracht nadat het aanvankelijke motief, bezit van massavernietigingswapens, was weggevallen. Irak zou een democratie worden, zo kondigde Washington aan, en vanuit Bagdad zouden democratische hervormingen zich over het Midden-Oosten verspreiden.

Maar in Irak werd het burgeroorlog en met dat voorbeeld voor ogen trapte de rest van de heersers in de Arabische wereld op de rem – áls ze onder Amerikaanse druk al tot voorzichtige hervorming waren overgegaan. Tegelijkertijd bracht de opkomst van moslimfundamentalistische groepen overal waar maar een vorm van verkiezingen werd gehouden, de Amerikaanse regering op voorzichtiger gedachten. De stijging van de olieprijzen (nu boven de 130 dollar per vat) droeg daar ook toe bij. De opkomst van het als bedreiging beschouwde shi’itische Iran, mede als gevolg van de eliminatie van vijandige regimes in de buurlanden Irak en Afghanistan door Washington zelf, gaf in Washington en andere westerse hoofdsteden het laatste zetje tot matiging van de ambities.

Vandaag zijn de belangrijkste sunnitische autocraten opnieuw ‘gematigde bondgenoten’ van het Westen die met fluwelen handschoenen worden aangepakt. De Egyptische president Mubarak, de Saoedische koning Abdullah, absoluut monarch, en zelfs de Libische leider Moammar Gaddafi, bijna 40 jaar inspraakloos aan het bewind, zijn helemaal in de gratie. Belangrijker dan democratisering in het Midden-Oosten is dezer dagen ‘herschikking van allianties’, zoals de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken de huidige Amerikaanse strategie onderstreept, met ‘gematigde landen die verontrust zijn door het extremisme van Iran en Al-Qaeda’.

Het zijn nu met name journalisten en andere publicisten die het onderwerp verandering in het Midden- Oosten aan de orde stellen. Gezaghebbende auteurs zijn de laatste paar maanden de Washington Post- journaliste Robin Wright, die Dreams and Shadows schreef over de toekomst van het Midden-Oosten, en Tamara Cofman Wittes van de Amerikaanse denktank Brookings die de Amerikaanse rol in het Midden-Oosten centraal stelt in haar boek Freedom’s Unsteady March.

‘In de Arabische wereld is de status quo niet houdbaar’, zegt de voormalige Jordaanse minister van Buitenlandse Zaken Marwan Muasher

Vervolg op pagina 2

De toekomst van het Midden-Oosten

Vervolg van pagina 1

tegen in Dreams and Shadows Robin Wright. ‘Wat veertig jaar geleden werkte – toen de staat de zaken kon beslissen en kon verwachten dat het volk volgde – werkt nu niet. Tenzij de staat zich daarvan bewust is en daarop reageert, kan hij grote problemen verwachten’.

Aan hun uitspraken over democratie en hervorming af te meten, hebben alle Arabische regimes – en eveneens het Iraanse, dat weliswaar democratischer verkiezingen houdt dan de meeste Arabische landen maar de laatste jaren ‘autocratiseert’ – dat heel goed begrepen. Wat het huidige tijdperk anders maakt dan vroeger, betoogt Wright, is dat er buiten de oude, kleine intellectuele elite, activisten zijn opgestaan die zich inspannen om hun leiders aan die beloften van democratisering te houden. Ze wijst op de honderdduizenden betogers die na de aan Syrië toegeschreven moord op de Libanese ex-premier Rafiq Hariri de straat opgingen en met Amerikaanse en westerse steun gedaan kregen dat het Syrische bezettingsleger na 29 jaar werd teruggetrokken. Ze noemt de verkiezingen in Irak, waarvoor de burgers toch opkwamen, ondanks het om zich heen grijpende geweld van extremisten. En ook de massaprotesten in Jordanië na de zelfmoordaanslagen op drie hotels in Amman.

Er is de satelliettelevisie – ‘de satellietrevolutie’, zoals de Marokkaanse sociologe Fatima Mernissi het noemt, ‘die de heersers hun alleenrecht op de propaganda heeft afgenomen en de burgers weer een stem heeft gegeven’. En internet, dat in toenemende mate door oppositieactivisten wordt gebruikt om schendingen van de mensenrechten door de autoriteiten aan de kaak te stellen, de activiteit van verschillende groepen te coördineren en demonstraties te organiseren.

Het probleem is dat de regimes niet stilzitten. Het gaat immers om macht, en geld, want macht is geld. De heersers en de mensen eromheen hebben belang bij de status quo. Zij zorgen ervoor dat de veiligheidsdiensten, die de status quo moeten bewaken, óók belang hebben bij hun overleven. Bijna overal in het Midden-Oosten wordt de overheidscontrole op internet verscherpt. Politieke webloggers worden opgepakt en geïntimideerd. Satellietstations liggen onder vuur. De tijd van de grote demonstraties is weer voorbij, tenzij georganiseerd door het regime.

Zowel Wright als Cofman Wittes onderstreept dat de invasie van Irak en de daaropvolgende desintegratie van het land het hele Midden-Oosten heeft beïnvloed en Bush’ ‘Vrijheidsagenda’ – voorzover die althans serieus werd gevolgd – heeft ondermijnd. Waar ze maar in het Midden-Oosten kwam op haar reizen voor dit boek, schrijft Wright, hoorde ze dat de machtigste democratie ter wereld de kansen voor politieke verandering door haar optreden in Irak had ondergraven – zelfs gesaboteerd. De chaos in Irak heeft, bevestigt Cofman Wittes, het Amerikaanse leiderschap en de Amerikaanse motieven in Arabische ogen verder in diskrediet gebracht.

Cofman Wittes, die de kwestie van verandering in het Midden-Oosten volledig vanuit het Amerikaanse perspectief bekijkt, gaat terecht diep in op de ambivalentie van de regering-Bush, waardoor, Irak of geen Irak, de ‘Vrijheidsagenda’ structureel zeggingskracht ontbeerde. Het zijn niet alleen het volstrekte gebrek aan voorbereiding en de talloze andere grote fouten die in Irak werden gemaakt die daartoe bijdroegen. Binnen de regering heerste en heerst verdeeldheid: is democratie in het Midden-Oosten wel haalbaar? Komt de strategische samenwerking met de bondgenoten niet in gevaar?

De Amerikaanse ambivalentie heeft niet alleen, maar wel in belangrijke mate te maken met de angst dat anti-Amerikaanse moslimfundamentalisten de macht in handen zullen krijgen waar werkelijk democratische verkiezingen worden gehouden. Zie de Palestijnse verkiezingen van januari 2006, waar Hamas met 44 tegen 42 procent van de stemmen de officieel seculiere, door en door corrupte Fatah-organisatie van president Abbas versloeg. De shi’itische fundamentalisten van Hezbollah doen het prima onder de shi’ieten in Libanon; de Egyptische Moslimbroederschap behaalde ondanks zware obstructie van de zijde van de autoriteiten 20 procent van de stemmen bij de parlementsverkiezingen in 2005.

De fundamentalisten profiteren in het algemeen van het feit dat de seculiere, liberale en socialistische Arabisch-nationalistische oppositie door de regimes praktisch is geëlimineerd. De moskee, de basis waarop de fundamentalisten zich kunnen terugtrekken, hebben de meeste autoriteiten niet durven aanpakken (anders dan hun politieke organisatie). Komen straks Hezbollahleider Nasrallah en Hamasleider Meshaal aan de macht, met zegen van de radicale Iraanse president Ahmadinejad? Zij zijn volgens peilingen de populairste leiders in het Midden-Oosten.

De vraag is of het zo’n vaart zou lopen als fundamentalisten de vrije hand zouden krijgen. Zouden ze de meerderheid verwerven? Zou de Egyptische Moslimbroederschap nooit meer verkiezingen houden? Zelf distantiëren ze zich van ‘Eén man, één stem, één keer’, de uitspraak van een leider van het Algerijnse Front van Islamitische Redding die in 1991 breed werd geciteerd om de annulering te wettigen van de Algerijnse verkiezingen, die op een zege van het FIS leken uit te lopen.

Wat zou er zijn gebeurd als Hamas na zijn verkiezingswinst niet door Israël en het Westen was geïsoleerd? Doel daarvan was en is Hamas’ kiezers in de Gazastrook weer in de armen van Fatah te drijven, maar dat blijkt twee jaar later niet gelukt. Daarentegen heeft in de Midden-Oosterse opinie de geloofwaardigheid van het Westen, dat democratie propageert maar openlijk de uitkomst van democratische verkiezingen naast zich neerlegt, wederom een klap gekregen. Ahmadinejad c.s. maken er dankbaar gebruik van.

Zelf hebben Wright en Cofman Wittes overigens weinig vertrouwen in de bedoelingen van fundamentalisten. Cofman Wittes schrijft over de ‘illiberale uitkomst’ van de verkiezingen in Irak (waarin fundamentalistische shi’itische partijen wonnen), in de Palestijnse gebieden en Libanon (waar Hezbollah in het parlement kwam). Voor Wright – en voor Cofman Wittes – zijn de agents of change de liberale activisten en seculiere hervormers.

In Dreams and Shadows spelen deze liberalen en socialisten dan ook een hoofdrol. Zij zijn inderdaad actief, welbespraakt en toegankelijk. Maar in de Midden-Oosterse werkelijkheid is hun rol althans op dit moment zo goed als uitgespeeld. De regimes hebben hen gemarginaliseerd, maar belangrijker is dat de ideologieën die zij uitdragen – liberalisme, seculier nationalisme, socialisme, marxisme – in de schaduw zijn gesteld door de politieke islam.

De Egyptische linkse protestbeweging Kefaya (Arabisch voor genoeg – van president Mubarak), kreeg wél veel westerse media-aandacht, maar zelfs op zijn hoogtepunt, een jaar of vier, vijf geleden, nooit meer dan een paar honderd betogers bijeen. Kefaya is inmiddels ruziënd uiteengevallen. Het staat daarmee symbool voor de algemene situatie van de seculiere oppositie in het Midden-Oosten, inclusief Iran.

Uiteindelijk is het beeld dat Wright en Cofman Wittes schilderen somber. De Arabische staten van het Midden-Oosten zijn niet langer in evenwicht, schrijft Cofman Wittes, ze kunnen niet langer doormodderen. Maar wordt het democratie of revolutie? Ze heeft geen idee. Wright, die haar boek positief begint, eindigt met uitspraken van hulpeloze activisten die het tij hebben zien keren.

De regimes zijn vast van plan het voorlopig vol te houden. Met de hoge olieprijzen en de feitelijke steun van het Westen zal dat hun inderdaad nog wel eens een tijd kunnen lukken.