Bunzing houdt van rommel

Bunzingen zijn leuke, maar ook venijnige diertjes. Ze hebben nu hun eigen Jaar van de Bunzing gekregen.

Karakterbunzing Foto Neil Philips foto: Neil Philips bunzing Philips, Neil

Bunzingen zijn vrij klein, maar er zit een enorm groot karakter in. Als roofdieren hebben ze hun venijnige kantjes – vooral voor muizen en ratten. Maar bunzingen kunnen ook heel vrolijk zijn, en uitgelaten met elkaar spelen.

Vooral als ze jong zijn springen ze kekkerend alle kanten op, op vier poten tegelijk. Net als tamme fretten, die je misschien als huisdier kent. Daar lijken ze erg op. En ze zijn ook familie van de nog kleinere wezel en hermelijn – ook al van die levenslustige patsertjes. De bunzing heeft van natuurbeschermers nu zijn eigen Jaar gekregen. Dat is mooi, het Jaar van de Bunzing. Maar de aanleiding is minder mooi. Het lijkt alsof er flink minder bunzingen zijn dan nog niet zo lang geleden. Je ziet ze sowieso niet zo vaak, doordat ze vooral ’s nachts leven. Maar ze worden minder vaak geteld dan vroeger. Het gaat dus niet goed met ze, terwijl ze vroeger haast overal vrij gewoon waren.

Een reden is het autoverkeer. Bunzingen vinden het oversteken van autowegen nogal stoer, en het gaat vaak fout. Maar iets anders is belangrijker: Nederland wordt ze te saai. Steeds kaler. Geen leuke rommelranden langs weiden en akkers waar ze kunnen jagen en zich verstoppen, geen slordige houtstapels om hun jongen in te krijgen, geasfalteerde boerenerven – alleen maar orde en netheid. Vroeger was de landbouw kleinschalig, met kleine veldjes naast elkaar met soms zelfs hagen ertussen. En nu? Je weet het. Enorme akkers, waarop grote machines goed uit de voeten kunnen. Maar de bunzingen niet. Rommelakkers, rommelranden, rommelbosjes met rommelmuizen, rommelwatertjes met rommelkikkers, dat willen bunzingen. En wij eigenlijk ook. Maar zij hebben dat jaar gekregen, je hoort er nog van.