Wanneer is een therapie werkzaam?

De artsen die deel uitmaakten van de Vereniging tegen Kwakzalverij konden hun lachen maar nauwelijks verbergen toen een collega die Ayurvedische geneeswijzen als ‘aanvulling’ gebruikte op de vaardigheden die hij tijdens zijn studie medicijnen had geleerd, sprak over drie soorten energieën in het lichaam en vertelde dat hij graag werkte met de ‘polsdiagnose’. Op een filmpje zag je hem dat doen bij een mevrouw: ze mocht hem niets vertellen over haar klachten vóór hij haar pols gevoeld had. Al voelende vroeg hij of ze een operatie in het bekkengebied ondergaan had? Nee, zei de vrouw, nu ja, een keizersnee. De arts glimlachte: „Dat is een operatie in het bekkengebied”, zei hij, „dat voelde ik meteen.”

De ‘alternatieven’, van wie de meesten liever spraken over ‘aanvullende behandelingen’ zaten aan de ene kant van de zaal en citeerden steeds cijfers en onderzoeken waaruit bleek dat significant veel patiënten zich beter voelden na hypnotherapie of homeopathische behandelingen, de reguliero’s zaten aan de andere kant en smaalden dat dát nu juist typerend was voor de alternatievo’s, dat ze altijd de gunstige cijfers eruit haalden en niet, zoals wetenschappelijk ingestelde geneeskunde wél, met gecontroleerd, dubbelblind, gerandomiseerd onderzoek probeerden vast te stellen of een therapie wel of niet werkt.

Het was een interessante aflevering van Uitgedokterd?! goed geleid door Ghislaine Plag, die er ook niets aan kon doen dat de tijd eigenlijk iets te krap was voor wat er allemaal aan de orde moest komen. Goed van de redactie was dat ze verstandige, niet-zweverige aanbieders van aanvullende therapieën had uitgekozen, de meesten met een erkende, soms een wetenschappelijke opleiding, die allemaal niet alleen bereid waren samen te werken met een reguliere arts maar dat zelfs als een plicht beschouwden – bepaald niet het type goeroe dat borstkanker denkt te genezen door energiestromen anders te richten met behulp van een pendel en het drinken van brandnetelthee.

De anti-kwakzalvers waren knorrige, oudere heren, die hun best leken te doen om op de grumpy old men uit The muppet show te lijken, maar scherp waren ze wel. Het was jammer dat pas op het allerlaatst één van hen, neuroloog Marinus Vermeulen, bekende dat hij vroeger wel eens, bij patiënten met alle verschijnselen van multiple sclerose bij wie toch niets vast te stellen viel, zijn toevlucht nam tot ‘puntmutsen’. De patiënt werd daartoe in een aparte ruimte gebracht, vol apparatuur, en de behandelend arts vertelde de patiënt dat er mogelijkerwijs één arts was die iets voor zijn of haar klachten kon betekenen. Vermeulen kwam dan, mopperend dat hij de boel weer op kon knappen, van achter de apparatuur vandaan, deed dingen aan en uit, sprak tegen de patiënt, liet hem of haar de benen bewegen – enfin, voerde quasi een behandeling uit, en, zo zei hij, de meesten verlieten lópend die kamer, waar ze strompelend of rijdend ingekomen waren.

Geweldig resultaat natuurlijk, maar zijn leermeester had hem verboden daarmee door te gaan. Want, had die gezegd, het is een vorm van patiëntenmisleiding, je behandelt ze met iets waarvan je weet dat het niet kán werken en dat vertel je ze niet.

Op dat moment was helaas het programma afgelopen – net dáárover zou je nog wel meer willen horen. Wat is werkzaamheid precies, hoe lang moet een patiënt zich beter voelen wil er sprake zijn van werkzaamheid? Of is ‘zich beter voelen’ überhaupt geen criterium (jammer voor de patiënt) maar alleen waarneembare fysische veranderingen?

Er waren artsen die wel meer wilden samenwerken met de aanbieders van alternatieve of aanvullende therapieën, ook in de veronderstelling dat een deel van wat nu nog als ‘alternatief’ geldt over enige tijd, na toetsing, regulier geworden zal zijn. De strenge anti-kwakzalvers vonden dat onzin, er is maar één medische wetenschap en dus valt er niets samen te werken: óf iets werkt, dan is het regulier, óf er is niet vastgesteld dat het werkt en dan is het geen geneeskunde.

Hopelijk gaat de NCRV nog wat verder op dit pad.