Mbo’er van deze tijd is ‘competent’

Voor het eerst sinds ‘Dijsselbloem’ sprak de Kamer over vernieuwing van het onderwijs. Voldoet het competentiegericht onderwijs op het mbo wel aan de nieuwe eisen?

Het competentiegericht onderwijs op het mbo is een onderwijsvernieuwing, dat staat vast. „De grootste modernisering sinds de Mammoetwet”, zegt het procesmanagement ‘mbo 2010’, genoemd naar het jaartal waarin dit type onderwijs moet zijn ingevoerd op alle scholen.

Als zo’n onderwerp wordt besproken in het parlement, zoals gisteren het geval was, is de commissie-Dijsselbloem het eerste waar Kamerleden tegenwoordig aan denken. Die commissie, die de onderwijsvernieuwingen onderzocht, formuleerde een aantal eisen waaraan toekomstige moderniseringen moeten voldoen.

Is het competentiegericht onderwijs ‘Dijsselbloem-proof’? Volledig, zegt staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA). Nee, zegt de Onderwijsraad. De Kamer stelt een onderzoek in.

Het grootste probleem is dat niemand een heldere definitie kan geven van competentiegericht onderwijs. Een definitie doet „geen recht aan de variëteit” van competentiegericht onderwijs, zei procesmanager Hans van Nieuwkerk vorige week. Wel is duidelijk dat mbo-scholieren worden getoetst op ‘competenties’, die kunnen bestaan uit kennis, vaardigheden en beroepshouding.

Voorstanders roemen de competenties als ‘praktijkgericht’ en ‘van deze tijd’. Zij zijn vooral te vinden onder procesmanagers, branchevertegenwoordigers en bestuurders. Tegenstanders wijzen op het ondergesneeuwde kennisniveau en chaos bij de invoering. Onder hen zijn docenten en leerlingen oververtegenwoordigd.

De definitiekwestie is van belang omdat een van Dijsselbloems belangrijkste adviezen luidt dat de overheid zich niet mag bemoeien met didactiek, de manier van lesgeven. Dat is aan de scholen. De overheid mag alleen bepalen wát er moet worden geleerd.

Het competentiegericht onderwijs gaat officieel over nieuwe exameneisen, het ‘wat’ dus. Of het ook een didactische vernieuwing is, is onderwerp van discussie. Zo zei mbo-docent Harm Beertema vorige week in de Kamer dat de directie van zijn school een standje gaf aan leraren die, tegen de regels in, nog steeds klassikaal doceerden.

De Onderwijsraad, het belangrijkste onderwijsadviesorgaan van de regering, gaf eind vorige week een voorzetje. In zijn advies Richtpunten bij onderwijsagenda’s stelde de raad vast dat het competentiegericht onderwijs wel degelijk ingrijpt in de didactiek. Landelijke invoering tast de ruimte van scholen aan om voor een eigen lesmethode te kiezen, schrijft de raad in het rapport. De raad is geen tegenstander van het concept, maar betwijfelt de noodzaak van „mbo-brede invoering” ervan.

Daar denkt Van Bijsterveldt heel anders over. Eergisteren stuurde ze de Tweede Kamer een brief waarin ze het lijstje met eisen van Dijsselbloem, het zogenoemde ‘toetsingskader’, punt voor punt toepaste op het competentiegericht onderwijs. Conclusie: op alle punten een voldoende. Zo staat volgens haar vast dat overheidsinterventie noodzakelijk was. Ook is er „voldoende draagvlak” onder docenten en leerlingen. Wel maakt ze zich zorgen over de uitvoering.

De Kamer sprak gisteren vooral over de leraren, die volgens de parlementariërs beter moeten worden betrokken bij de invoering van het competentiegericht onderwijs. Van Bijsterveldt zegde toe daar scherp op te gaan letten.

Volgens de staatssecretaris kan competentiegericht onderwijs ook „traditioneel” worden gedoceerd. Staf Depla (PvdA) memoreerde dat docenten dat niet weten. En SP’er Nathalie de Rooij vond dat het vernieuwde onderwijstype „dwingt tot een andere didactiek”.

De Kamer gaat zelf onderzoeken of het competentiegericht onderwijs ‘Dijsselbloem-proof’ is. De landelijke invoering per 2010 lijkt niet in gevaar te komen.