Liever hulp aan ouders dan aan probleemkind

Geld voor jeugdzorg gaat naar een kleine groep probleemjongeren. Het kan beter worden gebruikt om problemen te voorkomen, vindt de Rotterdamse wethouder Geluk.

Het is maar een kleine groep jongeren die in de stadsregio Rotterdam het hele jaarbudget van 100 miljoen euro voor jeugdzorg opsoupeert. De helft van alle beschikbare hulp in Rotterdam en omringende gemeenten gaat naar 1.500 kinderen van ouders die (gedeeltelijk) uit het ouderlijk gezag zijn ontzet. „Een heel erg heftige constatering”, zegt Leonard Geluk in reactie op het onderzoek van de B&A Groep waar dat uit blijkt. De onderzoekers constateren dat er veel minder kinderen intensieve zorg ontvangen dan altijd is aangenomen, maar dat hun individuele problemen groter zijn.

Geluk is niet alleen jeugdwethouder in Rotterdam, maar ook portefeuillehouder Jeugdzorg van de stadsregio Rotterdam. Met leidende figuren van gemeenten, onderwijsinstellingen, zorgaanbieders en justitie – verenigd in de groep Ieder Kind Wint – gaf hij opdracht tot dit onderzoek.

De groep sluit vandaag met minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) een belangrijk convenant, waarmee de grenzen van de wet worden opgezocht. Rouvoet staat de regio Rotterdam toe om als proef te schuiven met geld en bevoegdheden uit twee wettelijk strikt gescheiden domeinen. Enerzijds de jeugdzorg, ofwel de zware hulp aan kinderen die wordt gefinancierd door de provincie of in dit geval de stadsregio. Anderzijds de jeugdgezondheidszorg voor de lichtere preventieve hulp, die wordt gefinancierd door de gemeente.

Het Rotterdamse initiatief loopt vooruit op een landelijke trend: de rijksoverheid verwacht steeds meer heil van (gemeentelijke) preventieve hulp, gemeenten trekken meer zeggenschap naar zich toe. Tot ongenoegen van de door provincies gefinancierde jeugdzorg.

Geld dat nu naar dure opvangplaatsen of therapieën voor probleemkinderen gaat, mag straks worden ingezet voor bijvoorbeeld gezinscoaches. Die zijn stukken goedkoper dan een bed in een instelling en moeten er vooral voor zorgen dat problemen van kinderen niet verergeren.

Geluk meent dat de behoefte die jongeren hebben aan hulp, niet aansluit bij de beschikbare zorg. Hij kan het geld anders inzetten omdat hij de enige bestuurder in het land is die verantwoordelijk is voor alle jeugdtaken in de regio.

De Rotterdamse wethouder benut het rapport en het convenant met Rouvoet voor een ingrijpende reorganisatie van de jeugdzorg in de stadregio. Uit het rapport blijkt bijvoorbeeld dat 60 procent van de 2.400 kinderen in de stadsregio die onder toezicht zijn gesteld van Bureau Jeugdzorg, geen gebruik maakt van de nodige hulp. Dat kan komen door bureaucratische hindernissen of het ontbreken van passende zorg.

Door het zwaartepunt van budgetten en bevoegdheden naar de gemeente te verplaatsen hopen Geluk en Rouvoet dat jongeren sneller effectieve hulp krijgen. „Door het onevenredige beroep dat een kleine groep jongeren doet op de zware zorg, ontstaan er lange en hardnekkige wachtlijsten”, zegt Geluk. „We besteden nu veel geld aan een kleine groep.”

Het onderzoek van B&A stelde vast dat ‘slechts’ 3,5 (ofwel 9.000) van alle 250.000 kinderen in de stadsregio Rotterdam intensieve jeugdzorg krijgt. Het gaat om kinderen die bijvoorbeeld in een in een kindertehuis of pleeggezin zitten omdat hun vader en moeder uit het ouderlijk gezag zijn gezet. Jarenlang werd aangenomen dat het hierbij om 5 procent gaat.

De reorganisatie van de jeugdzorg impliceert een andere inzet van het personeel. Medewerkers van jeugdzorg zullen moeten gaan werken bij mensen thuis ter voorkoming van ernstige problemen. „Een bed in een tehuis voor één kind kost al gauw 50.000 euro. Dat geld willen we liever uitgeven aan een gezinscoach waarmee je vier gezinnen kan helpen”, zegt Geluk. In zijn ogen zijn het meestal niet de kinderen maar de ouders van probleemkinderen die falen. Het gezin zou beter af zijn met opvoedondersteuning aan de ouders dan met een kind in een kindertehuis of pleeggezin.