Eén taal betekent nog niet één cultuur

Waarom zou Geert Wilders een paar weken geleden, in een interview met De Telegraaf, dat op een prominente plaats in die krant stond, een pleidooi hebben gehouden voor samenvoeging van Nederland en Vlaanderen? Welke Nederlandse kiezer dacht hij daarmee te overreden zijn stem op hem uit te brengen? Het is een non-issue in Nederland.

En in Vlaanderen? De meeste reacties daar waren ook niet bepaald juichend. De tijd is voorbij dat de Vlamingen opkeken naar Nederland als navolgenswaardig voorbeeld. Vlaanderen is een zelfbewuste eenheid geworden, die op elk gebied haar eigen erwtjes kan doppen. Bovendien heeft het bitter weinig reden Nederland dankbaar te zijn. Dat heeft zich nooit iets gelegen laten liggen aan de Vlaamse emancipatiestrijd (voor de emancipatie van allerlei volken ver weg liep het warmer).

Het enige goede woord dat ik in de Vlaamse pers erover gelezen heb, was dat van de historicus Eric Defoort, voorzitter van de Vlaamse Volksbeweging, in De Standaard van 15 mei. Maar hij gebruikt een merkwaardig argument: „Men kon er donder op zeggen”, schrijft hij, „dat men er (in de reacties op Wilders’ idee) ook de geschiedenis zou bijhalen. En jawel, hoor: ‘Nederland en Vlaanderen hebben historisch nooit een eenheid gevormd.’ En dan?” (Dit is een letterlijke vertaling van het Franse ‘Et alors?’, waarvoor wij ‘En wat dan nog?’ of ‘Nou, en?’ zeggen.)

Nou, en? De grote voorvechters voor een Europese eenmaking, schrijft Defoort met kennelijke ironie, zoals „Hendrik Brugmans, Robert Schuman, Jacques Delors en nog zovele anderen met hen zaten ongetwijfeld met een groot tekort aan historisch besef. Wisten zij dan niet dat Europa ‘historisch nooit een eenheid heeft gevormd’?”

Waarom is dit argument merkwaardig? Het moet immers nog blijken dat Europa ooit een politieke eenheid kan worden. Dat ideaal schijnt nu zelfs door de vurigste ‘Europeanen’ te zijn opgegeven. Het hoogst bereikbare lijkt nu een ‘unie van (onafhankelijke) staten’ te zijn. Dat is geen inspirerend voorbeeld voor een Nederlands-Vlaamse unie.

De grote vergissing die voorstanders van een Groot-Nederland (in welke staatkundige vorm dan ook) altijd hebben begaan, is te menen dat, aangezien Nederland en Vlaanderen een gemeenschappelijke taal spreken, zij ook een gemeenschappelijke cultuur hebben. Niets is minder waar. Of laten we het minder stellig zeggen: het een vloeit niet noodzakelijk uit het ander voort.

Misschien kon er tot in de zestiende eeuw van een gemeenschappelijke cultuur gesproken worden, maar sinds de Contrareformatie zijn Nederland en Vlaanderen verschillende wegen opgegaan. Niet alleen staatkundig, ook cultureel: Vlaanderen kreeg het uitsluitende stempel van het rooms-katholicisme opgedrukt, terwijl in Nederland drie eeuwen lang het protestantisme domineerde. Van die verschillende erfenissen tonen zij nog de kentekenen.

Na de onafhankelijkheid van Belgie in 1830 kwam Vlaanderen onder de invloed van de dominerende Franstalige klasse, zowel politiek als cultureel, wat het nog meer van Nederland verwijderde. Op eigen krachten heeft het zich van deze invloed weten te bevrijden, wat niet wil zeggen dat sporen ervan niet nog merkbaar zijn.

Door deze gescheiden ontwikkeling is ook de Vlaamse politieke cultuur een andere geworden dan de Nederlandse. Ze proberen samen te voegen zou tot allerlei conflicten leiden, die Nederland en Vlaanderen nog meer van elkaar zouden verwijderen, terwijl een gescheiden ontwikkeling allerlei vormen van samenwerking allesbehalve in de weg behoeft te staan. Die samenwerking wordt vergemakkelijkt door de gemeenschappelijke taal.

Maar nu rijst een andere vraag: hoe lang kunnen we nog spreken van een gemeenschappelijke taal? De Vlaamse taalkundige Ludo Beheydt, hoogleraar aan de universiteiten van Leuven (Frans) en Leiden, constateert in een speciaal aan België gewijd nummer van Christen Democratische Verkenningen (lente 2008): „Vlaanderen en Nederland delen in toenemende mate de formele schrijftaal, maar op het gebied van de informele gesproken taal valt een versnelde divergentie waar te nemen.”

Die divergentie kan ook de eenvoudigste televisiekijker waarnemen: de Nederlandse en de Vlaamse televisie ondertitelen steeds vaker over en weer de series die ze van elkaar overnemen. (Tussen haakjes: waarom worden, ook in deze krant, de Vlaamse zenders Eén en Ketnet/Canvas steeds België 1 en 2 genoemd? Ze richten zich uitsluitend tot een Vlaams publiek. Franssprekende Belgen kijken niet naar ze; die hebben hun eigen zenders. Er zijn dus geen Belgische zenders. Vlaanderen 1 en 2 zou daarom beter zijn.)

Zelf heb ik ook last van die divergentie. De Vlaamse nieuwslezers zijn nog heel duidelijk te volgen (beter dan, over ’t algemeen, hun Nederlandse collega’s), Vlaamse politici ook wel, maar bij praatprogramma’s moet zelfs de goedwillende Nederlandse kijker die ik ben, vaak afhaken, zelfs bij het programma van de voortreffelijke Phara de Aguirre. De kloof wordt dus groter.

Nu moet ik daar onmiddellijk aan toevoegen dat ik daar met de Nederlandse televisie ook steeds meer last van krijg. Over de nieuwslezers heb ik het al gehad. Hoe liever ze eruitzien, des te ongearticuleerder schijnen ze te spreken. Ik krijg heimwee naar de nieuwslezers van vroeger met hun kunstmatige spraak, die tenminste verstaanbaar was – en om verstaanbaarheid gaat het immers? Voor onze televisiebazen blijkbaar niet.

Terwijl de volken der aarde economisch steeds meer afhankelijk van elkaar worden en er onweerstaanbaar een eenheid groeit die onder de naam van globalisering gaat, doet zich tegelijkertijd het tegenovergestelde verschijnsel voor van culturele divergentie: groter wordende kloven tussen naties (ook als ze taalgenoten zijn) en tussen generaties. Moeten beide verschijnselen niet ergens gaan botsen? Misschien was het Franse en Nederlandse ‘nee’ van drie jaar geleden slechts een voorproefje.

Wilt u reageren? U kunt de auteur mailen via via dezerdagen@nrc.nl Of neem deel aan de onlinediscussie via nrc.nl/heldring