Authentieke stroopwafels in Casablanca

Een Nederlandse handelsmissie bezoekt Marokko. De aanwezigheid van staatssecretaris Aboutaleb blijkt deuren te openen die anders gesloten blijven.

Pal naast de spoorlijn die Casablanca-Rabat verbindt, op een bedrijfsterreintje ingeklemd tussen een fabriekshal en een half afgebroken sloppenwijk, hangt de herkenbaar zoete geur van karamel en boter. De staatsecretarissen Heemskerk (Buitenlandse Handel) en Aboutaleb (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) hebben zojuist een lint doorgeknipt bij de deur die toegang geeft tot Amsterdam Delight, Marokko’s eerste stroopwafelfabriek. Binnen stuitert de Rotterdamse eigenaar-directeur Mimoun el Arkoubi (38) bezweet, maar enthousiast heen en weer tussen zijn twee stroopwafelcarrousels om de hoge gasten uitleg te geven over zijn koekjes.

„Het idee kwam van mijn vriend Theo”, roept El Arkoubi, terwijl achter zijn rug de versgebakken stroopwafeltjes via een lopende band in een verpakkingscellofaantje verdwijnen. Die zag hoe El Arkoubi altijd stroopwafels meenam voor zijn familie in Marokko. Als dat zo’n succes was, kon hij ze net zo goed zelf in Marokko maken. Het begon als een halve grap, maar El Arkoubi rook zijn kans. Aanvankelijk wilde hij met oude bakijzers aan de slag, totdat hij in Zuid-Afrika twee tweedehands bakcarrousels kon overnemen. Nu hoopt hij met een productie van 80.000 wafels per dag de Marokkaanse markt te veroveren.

De officiële opening van stroopwafelbakkerij Amsterdam Delight was deze week een van de hoogtepunten in de handelsmissie van de twee Nederlandse staatssecretarissen in Casablanca en Rabat. Met circa vijftig Nederlandse ondernemers in hun kielzog bezochten de bewindslieden Marokkaanse politici en hoge bestuursambtenaren om de weg te effenen voor Nederlandse investeringen. Soortgelijke bedrijvenmissies bleven de afgelopen jaren zonder noemenswaardig resultaat: terwijl Franse en Spaanse bedrijven met miljardeninvesteringen de ontluikende Marokkaanse markt veroveren, werd vanuit Nederland vorig jaar het onbetekenende bedrag van 115 miljoen in Marokko geïnvesteerd. Het wederzijdse handelsvolume schommelde de afgelopen jaren rond de 650 miljoen euro, enkele procenten van de Marokkaanse in- en export, en een promillage van de Nederlandse handel.

Maar er hangt verandering in de lucht, zeggen de bewindslieden. „Van Nederlandse en Marokkaanse kant hebben we voor het eerst zo duidelijk uitgesproken dat de handel is achtergebleven en dat daar iets aan moet gebeuren”, zegt Heemskerk, tijdens een gesprek aan het einde de missie. „Marokko wil niet alleen overgeleverd zijn aan Frankrijk en Spanje”, voegt Aboutaleb eraan toe. „De hele stoet aan bewindslieden die we hier gesproken hebben, maakt dat duidelijk.” Van Nederlandse zijde gingen nog nooit zo veel vertegenwoordigers van bedrijven en onderwijsinstellingen mee om de mogelijkheden in Marokko te onderzoeken.

Anders is dit maal ook de aanwezigheid van Aboutaleb, die door Heemskerk was gevraagd was mee te gaan. Zijn Marokkaanse herkomst en kennis van zaken zouden deuren kunnen openen die anders gesloten blijven, zo was de gedachte. „En dat werkt dus gewoon”, aldus Heemskerk.

Op de rondgang langs bedrijven en ministeries werd Aboutaleb onthaald met respect en bewondering voor de geslaagde migrantenzoon. Hij staat de Marokkaanse bewindslieden in het Arabisch te woord, wordt aangeklampt door voorbijgangers die hem op televisie bij de opening van de stroopwafelfabriek hebben gezien.

Anders in de missie is ook de nadruk op de aanwezigheid van Nederlandse ondernemers met een Marokkaanse achtergrond. Het benutten van dit potentieel behoort tot het kabinetsbeleid, zo worden beide bewindslieden niet moe te verklaren. „Ondernemerschap zit bij de Marokkanen in het bloed, dat zie je hier. Waarom lukt dat niet bij veel van de jongeren in Nederland, dat houdt me bezig”, aldus Aboutaleb.

Als geslaagd voorbeeld wordt in het programma het kantoor in Casablanca van zorgverzekeraar Agis aangedaan. Vanuit zijn directeurskamer, waar het portret van de koningin en een beeldje van een Hollandse koe naast een Marokkaans vlaggetje prijken, leidt directeur Nabil Derrazi het administratiekantoor, dat via het net met de basis in Nederland verbonden is. Acht jaar geleden begon Derrazi hier zijn kantoor als een alarmcentrale voor medische hulp, ziekenhuisopnames en repatriëring voor Nederlandse Marokkanen die hier hun vakantie doorbrengen. Nu bedient een dertigtal voornamelijk vrouwelijke krachten de computerschermen die naast de directe medische hulp nog eens tachtigduizend zorgdossiers per jaar administratief afhandelen.

Het Marokkaanse Agis-kantoor geldt daarmee als een tot dusver zeldzaam Nederlands voorbeeld van de offshoring van dienstverlening, die in een veel aangehaalde studie van het organisatiebureau McKinsey werd genoemd als een speerpunt in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de Marokkaanse economie. Callcenters gevestigd in Marokko, voor de Spaanse markt al een bekend verschijnsel, gelden voor Nederland nog als uitzonderlijk. De Nederlandse Energiemaatschappij heeft er nu twee in Marokko, waar een veertigtal telefonistes de klanten in het Nederlands te woord staat.

Zakendoen in Marokko kent zijn problemen, zo blijkt uit diverse internationale rapporten. Een taaie bureaucratie, weinig beschikbare bedrijfsinformatie en problemen bij het vinden van de juiste partners, moeizame lokale financiering en de diep gewortelde corruptie vormen terugkerende klachten. In de laatste jaren probeert Marokko aan de weg te timmeren met een ‘één-loketregeling’ voor ondernemers, waar investeerders bij een ambtenaar in één keer al hun vergunningen kunnen regelen. Speciale belastingvoordelen, zoals in de ontwikkelingsregio rond Tanger, en de inzet van hooggekwalificeerde technocratische bestuurders moeten verder voor verbetering zorgen.

Marokko-consultant en voorzitter van het centrum van Nederlands-Marokaanse handelsbevordering Mohamed Laroussi is blij met het enthousiasme van twee staatsecretarissen en de deelnemende bedrijven. De Nederlandse ondernemers zijn ‘wakker geschud’, denkt Laroussi en het idee om meer hooggeschoold talent met een Marokkaanse achtergrond in te zetten deelt hij van harte. Speciale investeringssubsidies, zoals het ‘programma samenwerking opkomende markten’ (PSOM), beginnen bekender te worden. Toch is de adviseur sceptisch over de begeleidingscapaciteit. „De Nederlandse ambassade doet goed werk, maar als de Spanjaarden hier komen, vinden ze een complete handelsafdeling van vijftien, twintig man die klaar staat om hen te helpen. Daarvoor is in Nederland geen geld te vinden”, zegt Laroussi. Hij zag in het verleden dan ook dat de handelsmissies geen vervolg kregen. „En zonder inzet van de politiek komt de trein hier niet in beweging.”

Bij hun vertrek onderstrepen Heemskerk en Aboutaleb dat de missie dit keer tot een blijvend resultaat moeten leiden. Met de Marokkaanse minister van Buitenlandse Handel Maâzouz is onder meer een overeenkomst getekend die voor betere juridische bescherming van investeringen moet zorgen. Aboutaleb: „We benutten te weinig de potentie van de Nederlandse Marokkanen. Investeren hier is het creëren van werkgelegenheid. Dat is de beste vorm van ontwikkelingssamenwerking.”