Suïcide of euthanasie in documentaire ‘Mag ik dood?’

Psychisch lijden kan ook ondraaglijk zijn, volgens de euthanasiewet, maar psychiaters werken zelden mee aan levensbeëindiging. Een als documentaire gestileerd pleidooi.

Cathma van Dijck (links) en haar zuster Eveline, die de documentaire ‘Mag ik dood?'maakte Foto HUMAN Humanistische Omroep

Cathma van Dijck raakte na een actief leven rond haar vijftigste in de war. Ze kreeg last van wanen, vertrouwde niemand meer en verliet haar partner. Pillen hielpen Cathma van haar wanen af, maar tal van opnamen en behandelingen verlosten haar niet van een diepe depressie. Ze wilde dood en zocht daartoe vergeefs hulp. Uiteindelijk benam ze zich door ophanging het leven. Deze lijdensweg vormde voor Cathma’s zuster, documentairemaakster Eveline van Dijck, uitgangspunt voor de film Mag ik dood?

De filmmaakster laat lotgenoten aan het woord, die evenals zij machteloos stonden bij de doodswens van hun kind, echtgenoot, broer, zuster of ouder. En die hun dierbare uiteindelijk verloren door ophanging, een sprong voor de trein of van een flat of door een combinatie van alcohol en pillen. Ze ging bovendien te rade bij deskundigen over de wettelijke en praktische aspecten van zelfdoding bij chronisch psychiatrisch lijden. Tussendoor zijn de laatste beelden van Cathma van Dijck en de vervaardiging van haar grafsteen te zien.

Mag ik dood? is een als documentaire gestileerd pleidooi voor een ruimere interpretatie van de in 2002 van kracht geworden euthanasiewet. In de film zet Els Borst, voormalig minister van Volksgezondheid, uiteen dat de wet niet alleen is bedoeld voor levensbeëindiging van mensen die lichamelijk ondraaglijk en uitzichtloos lijden, maar dat die wet net zo goed geldt voor mensen met chronisch psychische klachten en met een doodswens. In de praktijk blijkt echter dat levensbeëindiging volgens deze richtlijnen hoofdzakelijk wordt toegepast bij lichamelijk zieke patiënten. Een psychiater beaamt in de film dat zelden naar dit laatste middel wordt gegrepen. In haar beroepsgroep wordt ook in deze categorie patiënten steeds weer gezocht naar mogelijkheden om met medicatie en andere behandeling het leven dragelijk te maken. ,,Als iemand dan toch voor de ultieme daad kiest, moet die daar zelf de verantwoordelijkheid voor nemen’’, aldus de psychiater. „Die verantwoordelijkheid moet niet naar mij worden verschoven, omdat ik toevallig bij de medicijnen kan.’’

Els Borst stelt dat behandelaars in de geestelijke gezondheidszorg vaak niet op de hoogte zijn. „Men denkt: voor je het weet sta je voor de strafrechter. Die vrees komt vaak voort uit onvoldoende kennis van de wet. Als een arts er veel moeite mee heeft, moet die de patiënt naar een ander verwijzen.’’ Marleen van Bijnen, consulent van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde en humanistisch raadsvrouw, gaat verder in haar verklaring voor de onwil van psychiaters het leven van hun patiënten binnen de wettelijke marges te helpen beëindigen: „Psychiaters willen hun vingers hieraan niet branden. Ze zoeken toch steeds weer naar andere therapeutische mogelijkheden. Ik vrees dat de beroepsgroep dit met elkaar heeft afgesproken.’’

In de film wordt ook stilgestaan bij een riskante weg tussen levensbeëindiging met behulp van een arts en zelfmoord: hulp bij zelfdoding. Frank Vandendries, consulent van De Einder, legt uit hoe hij adviseert bij de keuze van medicamenten zonder strafbaar te zijn. En officier van justitie Hetty Hoekstra legt uit dat wie bij zelfdoding ‘een sturende rol speelt’ kan worden veroordeeld tot een half jaar gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk. Maar, zegt ze elders in de film, als de wet hulp bij zelfdoding toeliet, zou ze daar geen probleem mee hebben. En de psychiater sluit desgevraagd niet uit dat ze over tien jaar wel dodelijke medicijnen toedient aan ondraaglijk lijdende patiënten.

De ervaring met haar zuster heeft Eveline van Dijck de ogen geopend. „Als opnieuw iemand in mijn directe omgeving in dezelfde situatie zou komen, zou ik niet meer zo afhoudend reageren’’, zegt de filmmaakster. „Iemand die zoals mijn zusje bij herhaling zou laten blijken dood te willen, zou ik eerder met een ter zake kundig counsellor of behandelaar in aanraking brengen. Ik wist indertijd niet dat de wet de ruimte bood om chronisch psychiatrische patiënten met een doodswens te helpen. Mijn zusje dacht: ik ben psychiatrisch patiënt dus wilsonbekwaam. Dat blijkt helemaal niet zo te zijn.’’

Van Dijck wijst op de ‘enorme aantallen’ mensen die uit wanhoop zelf een einde aan hun leven maken. „Volgens cijfers van het Trimbos Instituut plegen jaarlijks ruim 1.500 mensen suïcide. Daarvan zijn 600 à 700 psychiatrisch patiënt. Meer dan 94.000 mensen doen jaarlijks een suïcidepoging, van wie ruim negenduizend in het ziekenhuis belanden. De impact daarvan op familie en vrienden is enorm. Het is opvallend hoeveel mensen ik door deze film heb ontmoet, die zo een vriend of familielid hebben verloren: patiënten met een gruwelijk einde dat voorkomen had kunnen worden.’’

De filmmaakster vindt het daarom van groot belang dat voor de betrokkenen alle beschikbare informatie voorhanden is: „Het is begrijpelijk dat psychiaters, die opgeleid zijn om mensen te genezen, hier moeite mee hebben. Maar dat mag een waardig sterven van deze groep niet in de weg staan.’’

Mag ik dood?, Ned. 2, 23.20-00.10u.

    • Tom Rooduijn