Spelen in Nederland niet langer taboe

Het enthousiasme om de Olympische Spelen naar Nederland te halen, blijkt groter dan verwacht. Bij sportkoepel NOC*NSF zijn ze er beduusd van. De tijd van protesteren is voorbij.

De Olympische Spelen in Nederland? Op die gedachte rust niet langer een taboe. Nadat sportkoepel NOC*NSF vorig jaar plannen openbaarde voor een kandidatuur voor de Spelen in 2028 – honderd jaar na ‘Amsterdam’ – is er sprake van een kentering in denken. De scepsis na de mislukte poging van Amsterdam voor de Spelen van 1992 is grotendeels verdwenen. Sterker, het enthousiasme neemt toe.

Marcel Sturkenboom, directeur Sport van NOC*NSF, weet niet wat hem overkomt. Als een van de bedenkers van het ‘Olympisch Plan 2028’ was hij vorig jaar bij de openbaarmaking terughoudend. Hij geloofde sterk in de ideeën, maar kende de gevoeligheid van het onderwerp sinds de Amsterdamse activist Saar Boerlage met het ‘Komitee Olympische Spelen Nee’ het protest aanvoerde. Haar acties werden onder de Nederlandse bevolking breed gesteund, maar van het kandidaatscomité kreeg zij grotendeels de schuld voor de smadelijke nederlaag. Amsterdam vloog er in de eerste stemronde uit; slechts vijf leden van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) kozen voor Nederland.

Sindsdien rustte een vloek op de combinatie Nederland en de Olympische Spelen. De heersende gedachte was dat een deel van de bevolking de Spelen onwenselijk vindt. In de sportwereld, de politiek en het bedrijfsleven werd er wel eens over een kandidaatsstelling van gedachten gewisseld, maar uit vrees voor de publieke opinie bleef het bij praten. Totdat NOC*NSF de zaken vorig jaar anders aanpakte en de olympische wens koppelde aan een plan Nederland eerst zodanig in te richten dat het verantwoord is Spelen te organiseren. Pas rond 2016 moet dan over de kandidatuur beslist worden. De achterliggende gedachte: als de infrastructuur op orde is, groeit het draagvlak.

„Ik verbaas me steeds weer”, zei Sturkenboom gisteren in Rotterdam bij de presentatie van schetsen voor olympische plannen door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). „Vorige week overkwam me dat ook al in een bijeenkomst met de twaalf secretarissen-generaal van de ministeries. Die waren unaniem vol lof over de plannen. En dat gaat maar door.”

Sturkenboom rekent zich ondanks de positieve reacties nog niet rijk. Pas als eind dit jaar een convenant wordt gesloten tussen de overheid, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en de sport is hij gerustgesteld. Maar hij stelt met genoegen vast dat de steun groeit en er vooralsnog geen kritische geluiden klinken.

En bij de presentatie van VROM mocht hij zich gisteren verheugen in de belangstelling van Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van het sociaal-economische adviesorgaan SER. Hij was er naar eigen zeggen uit betrokkenheid met de plannen. Rinnooy Kan noemde de verkenning naar de Spelen „een inspirerende gedachte” en denkt dat de olympische plannen kunnen aansluiten op het recente SER-advies aan de regering een ruimtelijk plan voor Nederland te maken.

Rinnooy Kan was ook zijdelings betrokken bij ‘Amsterdam 1992’. Als hoogleraar bedrijfseconometrie was hem gevraagd een kansberekening te maken. „We ontdekten dat Amsterdam bij veel IOC-leden de tweede of derde keus was en alleen kans zou maken als het de eerste stemronde zou overleven.”

De olympische schetsen die VROM gisteren presenteerde en zijn te bezichtigen op een tentoonstelling bij het Nederlands Architectuurinstituut (NAI) in Rotterdam, bieden originele gedachten. De Spelen kunnen geconcentreerd worden rond Rotterdam of Amsterdam, maar ook verdeeld worden over het land. De meest verstrekkende plannen waren die om de Spelen te koppelen aan een rivier of aan de verplaatsing van Schiphol naar zee.

De ruimtelijke verkenningen werden gepassioneerd aanbevolen door Henk Oving, directeur Ruimtelijke Ordening van VROM en door minister Jacqueline Cramer (PvdA) van Ruimtelijke Ordening en Milieu. Ovink voegde eraan toe dat naar zijn mening de schroom moet plaatsmaken voor daadkracht. „Om de discussie richting te geven, moeten we met een besluit over kandidatuur niet wachten tot 2016. Er moet eerder worden gezegd: we doen het.”

Ovink wordt ook gedreven door praktische argumenten. Voor ruimtelijke ontwikkeling is twintig jaar niet zo lang en bij een eventuele toewijzing van de Spelen is er sprake van een deadline. Ovink: „Als we niet snel een besluit nemen is het te laat.” Daarin wordt hij gesteund door ministerCramer: „We moeten niet steggelen over besluitvorming. Ik wil een rol spelen om het tempo erin te houden.”