Sociaal-democraten bedreigd door links, rechts en zichzelf

Overal, althans bijna overal, in West-Europa hebben de oude sociaal-democratische dan wel socialistische partijen het moeilijk, of zij nu meeregeren of niet. Dat is zo in Italië, waar Berlusconi’s rechtse blok het linkse blok van premier Prodi uit de macht joeg. Dat is zo in het Verenigd Koninkrijk, waar Labour weliswaar nog regeert, maar in tussentijdse verkiezingen en in de peilingen al tijden fors verliest. En dat is ook zo in Frankrijk, waar president Sarkozy de verdeelde socialisten ruim versloeg.

En dan Duitsland, waarnaar een iets langer uitstapje de moeite waard is omdat Nederland er qua kiesstelsel en de posities op het politieke toneel misschien wel het best mee te vergelijken valt. In Duitsland liep de SPD anderhalf jaar geleden zwaar verlies op, mede door het optreden van een nieuwe linkse buur, Die Linke. De SPD was daardoor – en doordat een andere regeringscombinatie niet te maken viel – gedwongen plaats te nemen in een grote coalitie met de CDU/CSU, haar natuurlijke vijand. Sindsdien struikelt de SPD van dieptepunt naar dieptepunt in de peilingen.

Onder haar nog vrij nieuwe leider Kurt Beck, die – zacht gezegd – niet geboren lijkt voor een glansrol in het beeldschermtijdperk, zucht de SPD onder een probleem dat zij in de naoorlogse geschiedenis nooit heeft gekend. Namelijk een gevaarlijke electorale radicale concurrent aan haar linkerkant. Die Linke dus, een club die oorspronkelijk zijn basis bijna exclusief in Oost-Duitsland had, als opvolger van de SED/PDS in de DDR, maar intussen niet alleen in de Bondsdag maar ook in een aantal West-Duitse regionale parlementen is doorgedrongen.

Partijchef van Die Linke is de Saarlander Oskar Lafontaine, ooit een politiek kleinkind van Willy Brandt, die een paar jaar geleden als SPD-voorzitter en minister uit het kabinet van zijn partijgenoot Gerhard Schröder vertrok wegens diens sociaal-economische sanerings- en hervormingsplannen. Lafontaine, die haast niet weg te slaan is uit de dagelijkse talkshows op de Duitse tv, is inmiddels gehaat en gevreesd in de top van de SPD. Gehaat ook omdat hij zo behendig inspeelt op de angst, ergernis en onzekerheid van grote kiezersgroepen, die zich bedreigd voelen door de economische hervormingen en de mondiale aanpassingen van hun land, waarvoor ‘hun’ SPD als regeringspartij al sinds 1998 medeverantwoordelijkheid draagt. Het zijn kiezers die klagen dat zij hun banen of hun uitkeringen in gevaar zien en die weinig merken van de aantrekkende economie en de florerende export.

Het oude Rijnlandse economische model, met zijn breed gespreide (jaarlijkse) min of meer vanzelfsprekende groei voor iedereen, zijn relatieve evenwicht van arbeid en kapitaal en zijn nadruk op continuïteit van ondernemingen en behoud van banen, is niet meer. Het wordt steeds meer verdrongen door het Angelsaksische model met zijn nadruk op schaalvergroting, managementprestaties en rendement voor de kapitaalverschaffers. Met onder meer als gevolg de verplaatsing van banen naar lage-lonenlanden. Wat veel werknemers en uitkeringstrekkers behalve angstig over hun toekomst woedend maakt over de enorme salarissen en bonussen die gangbaar zijn in de hoogste etages van het Duitse inkomensgebouw.

Dat maakt bovendien de SPD en haar traditionele kiezersgroepen, waarvan de kern vroeger bestond uit de zogeheten Kanalarbeiter, extra kwetsbaar voor de kritiek van Die Linke die, zoals de SP in Nederland niet gehinderd door regeringsverantwoordelijkheid, heel bedreven een verleidelijk lied zingt tegen verandering en vóór het houden van wat je hebt en kent.

De overeenkomst is opmerkelijk. De SPD en de PvdA zijn alle twee zwaar op hun nummer gezet in de laatste verkiezingen, zij doen het slecht in de opiniepeilingen en kijken naar hun linkse concurrenten als een konijn naar de lichtbak van de stroper. Zij hebben bovendien in hun verkiezingscampagnes te weinig duidelijk gemaakt dat in de onderhandelingen over een coalitieakkoord natuurlijk niet alle punten uit hun verkiezingsprogramma echt verwerkelijkt kunnen worden. Zeker voor de PvdA vormt de spanning tussen programmatische profilering en de onvermijdelijkheid van compromissen in de kabinetsformatie trouwens al decennia een vertrouwd probleem, dat de oppositie en de media stevig en aanhoudend helpen uitvergroten.

Intussen groeien de verdeeldheid en de neiging tot zelfdemontage evenredig aan de angstige val in de peilingen. Wie de afgelopen weken kennisnam van de adviezen over de gewenste PvdA-koers van partijleider Bos, de nieuwe fractieleider Mariëtte Hamer, haar voorganger Tichelaar en staatssecretaris Timmermans, zag de interne verdeeldheid treffend geïllustreerd. Opvallend was overigens de lof van de beide laatste heren voor het saneringsbeleid van de centrum-rechtse kabinetten-Balkenende II en III, waartegen de PvdA destijds scherp actie voerde.

Er moeten betere politieke leiders komen, riep partij-ideoloog De Beus zondag voor de tv, in het programma Buitenhof. Dat klonk als het verzoek van heer Bommel aan Tom Poes om snel een list te verzinnen. Maar het wordt voor de West-Europese sociaal-democratie, ook voor de PvdA, waarschijnlijk een paar slagen ingewikkelder. Misschien moet de PvdA vooral proberen om – naar het voorbeeld van de vorige kabinetten – geduld te hebben en de huidige coalitie helpen om met goed beleid te slagen. Wie weet hebben de kiezers daarvoor over een paar jaar, als mevrouw Verdonk en de heren Wilders en Marijnissen wat aan hoogglans hebben verloren, in meerderheid alsnog waardering.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/bik (Reacties worden openbaar na beoordeling van de redactie.)