Waarom ministeries boze burgers nu preventief in de gaten laten houden

Deze week: de opkomst van social media watchers op de Haagse ministeries.

Ofwel: over de gevolgen van het effectiefste politieke scheldwoord van deze tijd.

Eerder dit jaar kwam ik in contact met een voormalige ambtenaar van een van de grootste Haagse ministeries. Zij vertelde: ik ben jarenlang social media watcher voor de ambtelijke en politieke top geweest.

Social media watcher – dat kende ik niet.

Zij wilde niet met naam en werkgever in de krant, omdat ze dit werk als freelancer nog steeds doet.

Maar ze legde uit, controleerbaar, dat ze de reacties in de media op nieuw beleid van het departement groepeerde en analyseerde voor hoge ambtenaren en bewindslieden.

Sociale media hebben nu de meeste korte termijn-invloed, dus daarop lag de nadruk.

Vandaar dat ze minutieus netwerken op Facebook-pagina’s en op Twitter in kaart bracht, en vervolgens hun reacties in detail volgde. Ze richtte zich specifiek op mensen die in eerdere gevallen met activistische teksten verzet tegen beleid initieerden.

„Alles is erop gericht onvrede vroegtijdig te signaleren”, zei ze.

Social media watch bleek een wereldje op zich. Bijna alle ministeries ‘monitoren’, zoals ze dit noemen, de reacties van burgers op hun aankondigingen.

Je hebt gespecialiseerde bureautjes die ambtenaren en freelancers in cursussen leren hoe ze de hoge ambtenaren en bewindslieden op ontluikende boosheid van Nederlanders kunnen attenderen.

Dus, boze burgers, het klopt: de regering is watching you.

Het tekent de nervositeit van het huidige Den Haag: zodra een béétje nieuwe boosheid de kop lijkt op te steken, is iedereen alert.

Zo leeft Den Haag stelselmatig in spanning tussen vertrouwd beleidswerk en de vrees voor nieuwe woede.

Je merkt het ook aan mensen die nu binnenskamers werken aan het klimaatdossier, dat de komende week opnieuw hoog op de agenda staat.

In principe wil de coalitietop volgende week vrijdag een (incompleet) Klimaatakkoord naar buiten hebben. Daarvoor komt komende maandag het cockpitoverleg weer bijeen – het coalitiegezelschap van bewindslieden en Kamerleden dat de klimaattafels begeleidt.

Ook zal in dat overleg vermoedelijk blijken dat een Klimaatakkoord (maatregelen tot 2030) de komende tijd niet het lastigste klimaatprobleem voor Rutte III is.

Dat is, zoals hier vorige week geschetst, uitvoering van het Urgenda-arrest van het Haagse gerechtshof, waarvoor de coalitie al volgend jaar, per 1 januari 2020, nieuwe ingrepen moet doen.

En zoals dat gaat: na aanvankelijke schrikreacties begint bij partijen door te dringen hoe serieus dit is. Zo raken in het CDA de geesten rijp voor verdergaande (warme) sanering van de veestapel.

Intussen hebben Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) en Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) een stuk samengesteld waaruit blijkt, begrijp ik, dat de koopkrachteffecten van de nieuwe klimaatregels meevallen.

Maar op dit soort kalme feiten durven politici amper nog te vertrouwen. Want ze weten allemaal: als er twee details niet kloppen, worden we weer weken uitgescholden als de elite - of erger.

Dat hele elite-verwijt voor Haagse politici is echt volledig uit de hand gelopen.

Toevallig zocht ik deze week, voor een ander stuk, in de databanken naar veel gebruikte woorden in de politiek van 2018, en één resultaatje wil ik u niet onthouden: in 33.220 (!) documenten (telling tot vrijdagmorgen) die dit jaar in of met de Staten-Generaal werden gedeeld, kwam het woord elite minimaal éénmaal voor. Dat is bijna honderd keer per dag.

En zelden of nooit positief.

Een willekeurige steekproef leerde wie in de Kamer allemaal voor elite zijn uitgemaakt: schooldirecteuren, bankiers natuurlijk, middenpartijen, omroepbazen, ministers en Kamerleden, NRC-redacteuren, ontwikkelingswerkers, ziekenhuisdirecties, pensioenbestuurders, en zo kan ik een hele krantenpagina doorgaan.

Het type generalisaties dat elke individualiteit ontkent: alsof het leven van mensen is begonnen bij hun huidige functie, alsof succes geen voorgeschiedenis van mislukkingen kan hebben. Hokjesgeest op het hoogste niveau.

Wim Kok, dit jaar overleden, was een timmermanszoon uit Bergambacht. Begin deze eeuw werd hij, intussen premier, gediskwalificeerd als deel van de elite door een man, Pim Fortuyn, die zelf hoogleraar was.

Het verhaal van deze twee mensen illustreert uitstekend hoezeer het elite-verwijt kan schuren.

Maar intussen is de term uitgegroeid tot het effectiefste politieke scheldwoord van deze tijd. Iedereen wordt ervan beticht, niemand wil het zijn.

Ook de elite zelf is het als scheldwoord gaan gebruiken. Hoogleraar economie, oud-vicepremier en oud-NRC-columnist Bomhoff, omroepdirecteur Nagel, oud-AIVD-directeur Verdonk, het op 36-jarige leeftijd beëdigde Kamerlid Wilders, dr. Baudet – ze deden of doen het allemaal.

Maar hoewel de druk op politici, bestuurders en ambtenaren toenam, is deze stroming sinds Fortuyn niet gegroeid. In 2002 stemde ruim 18 procent van de kiezers op nieuwe nationalisten, in 2017 was dat ruim 14 procent. Maar het dalende marktaandeel van vertaalt zich niet in minder aandacht voor de aanhangers.

Het miserabele gevolg: een onstuitbare groei van politieke meelopers.

Politici uit midden- en flankpartijen die steeds op tijd de risicoloze opvatting van de dag omarmen. Tegen bankiers, de dividendmaatregel, Unilever, het pact van Marrakesh, migranten, klimaatkosten, etc.

Altijd met de mode mee, nooit de moed van een contraire opvatting - de politieke ziekte van deze tijd.

Je ziet het ook in media. Eén keer klaagt de mislukte GeenPeil-lijsttrekker Dijkgraaf dat media geen verslag doen van een paar gele hesjes, en het volgende weekeinde zijn alle media paraat om verslag van zijn onbetekenende protest te doen.

Eén keer weet Baudet een Kamerdebat van enige betekenis af te dwingen, en bijna alle media menen hierin een grote zege voor de man te zien.

Liever onzin vertellen dan later het verwijt krijgen dat je niets verteld hebt.

Dus als we al een politieke - en media-elite hebben, dan is het een ruggengraatloze elite die voortdurend in katzwijm valt voor grote bekken.

Het liberalisme, het kapitalisme, de globalisering: ze pakken overal in het Westen slecht uit voor mensen met een lage opleiding. Als zij boos zijn heeft dit vaak geen ingewikkelde achtergrond.

Maar angst voor deze mensen is geen oplossing. Moedig beleid, dat de macht van werknemers tegenover bedrijven herstelt, kan dat wel zijn – maar dan moet je dat voeren.

Een andere mogelijkheid kwam deze week van Johan Remkes (VVD), die als voorzitter van de staatscommissie voor een beter parlementair stelsel, tegen de opvattingen van zijn partij in, manieren voorstelde om laagopgeleide burgers meer bij de politiek te brengen.

Die heeft wél moed.

Het zijn voorstellen waarover discussie mogelijk is. Een correctief referendum met hoge drempels om burgers de kans op een laatste woord te geven. Betere kansen voor Kamer-kandidaten op verkiezing. Pogingen meer laag opgeleiden in de Kamer te krijgen.

Interessante manieren om de stilstand van de boosheid te doorbreken, en te zinspelen op meer democratisch vertrouwen bij mensen die dreigen af te haken.

Het verdient in elk geval meer respect dan het stiekem volgen van boze burgers op een ministerie, of ze alleen maar laf naar de mond praten: dat die manieren niet werken, lijkt me na zestien jaar wel bewezen.

    • Tom-Jan Meeus