Je komt voor een parkeerkaart en je krijgt een baan

De Wet maatschappelijke ondersteuning maakt gemeenten creatief. Op tal van manieren betrekken ze mensen ‘aan de rand’ bij de samenleving.

Al jaren stond Tom Chirino onder psychiatrische behandeling van de GGD Flevoland. Zelfstandig wonen lukte ook niet meer. Nu geeft hij af en toe jongeren tekenles in een buurthuis. „Ik hoor er weer bij”, zegt hij. Een lotgenoot werkt sinds kort als kok in een centrum voor dagactiviteiten. Waarom niet eerder? Hun was nooit gevraagd waar ze goed in waren.

Sinds vorig jaar hebben Almere, GGD en andere hulpinstanties een nieuwe vragenlijst voor mensen die ondersteuning of zorg vragen. De vragen gaan niet meer louter over gebreken en hulpbehoefte. Met de nieuwe aanpak is ook ex-kraamverzorgster Nora van Toll (58), door een burn-out in de bijstand, weer actief. Ze is enquêteur voor het gemeentelijke Activeringscentrum in een project waarbij wijkbewoners wordt gevraagd wat zij voor hun buurt wensen. Haar opleiding tot enquêteur kreeg ze van datzelfde centrum, nadat ze zich op zoek naar werk „suf” had gesolliciteerd. „Ik heb mijn zelfrespect teruggekregen”, zegt ze.

De Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) werd in 2007 van kracht. Ze verplaatste diverse zorgtaken, en de verantwoordelijkheid voor het budget, van Rijk naar gemeente. In politiek Den Haag verengde de discussie zich tot de huishoudelijke hulp, maar het gaat om meer. Talrijke gemeenten zijn actiever geworden om mensen aan de rand van de samenleving weer te laten meedoen. Staatssecretaris Bussemaker (VWS, PvdA) prees deze week in een ‘tussenbalans’ de „vernieuwende” aanpak van gemeenten.

„De essentie van de WMO is mensen die niet vanzelf kunnen participeren, te bereiken en te ondersteunen”, zegt wethouder Hatice Can-Engin (PvdA) van de gemeente Gilze en Rijen. „Ook voor wie niet kan werken, hebben we een reïntegratieplicht.”

Via een regionaal project worden in Gilze en Rijen mensen die op de reguliere arbeidsmarkt niet aan de bak komen, onder wie chronisch zieken en psychiatrische patiënten, weer actief. Hun bezigheden variëren van administratief werk tot klusjes in en om het huis of hulp bij de maaltijdenservice van de vrijwilligerscentrale.

„Er is wel zachte dwang, maar ik vind het leuk’’, zegt deelneemster Diana Kruit. Ze heeft multiple sclerose. Voor een gemeentelijk participatieproject voert ze, in deeltijd, onder meer intakegesprekken. „Ik werd gevraagd toen ik voor een invalidenparkeerkaart kwam.”

De intentie van WMO is volgens alle betrokkenen goed, maar de uitwerking laat nog te wensen over. Zo merken gemeenten dat het niet lonend is met extra uitgaven voor bijvoorbeeld woningaanpassing en huishoudelijke hulp mensen langer thuis te laten wonen. Rotterdam rekende voor dat een dakloze die doorstroomt van beschermd wonen, betaald uit de AWBZ, naar begeleid wonen, uit de WMO gefinancierd, de rijksoverheid 40.000 euro bespaart, terwijl de gemeente 11.000 tot 30.000 euro extra uitgeeft. Gemeenten worden niet voor hun inspanningen beloond.

Volgens bureau Deloitte, dat WMO-projecten evalueerde, leidt de wet tot nauwere samenwerking tussen gemeenten en zorgaanbieders, woningcorporaties, welzijnsinstellingen, vrijwilligerscentrales en cliëntenorganisaties. Hierdoor ontstaat een netwerk dat ook vroegtijdig problemen ‘achter de voordeur’ signaleert.

Can-Engin merkte dat bij haar gemeente Gilze en Rijen nauwelijks in kaart was gebracht welke maatschappelijke organisaties actief zijn en wat ze doen – lastig om zo beleid te voeren. „Ik heb nu met de organisaties werkafspraken’’, zegt de wethouder. „En als afspraken niet worden nagekomen, moet een deel van de subsidie terug. Niet alleen de overheid moet haar houding veranderen, de partners moeten dat ook.”

Volgens het Deloitte-rapport leidt de WMO er toe dat gemeenten beter regie voeren en ambtelijke diensten beter met elkaar samenwerken. De wet zorgt voor veel nieuwe projecten. „Het duizelt me soms van alle initiatieven”, zegt wethouder Johanna Haanstra (PvdA) van Almere. „Ik merk een grote behoefte bij mensen elkaar weer te ontmoeten.”

In haar gemeente trok een WMO-conferentie met workshops over concrete projecten onlangs veel mensen. De regio Midden-Holland begon een project met jongerenvrijwilligers. Eindhoven kwam met een mobiele mantelzorgwoning. De Drechtsteden regelen samen de opvang van bijgroepen als daklozen en verslaafden. En in Maastricht is een ‘veiligheidshuis’ voor jeugdige veelplegers waarin organisaties verplicht samenwerken om de jongeren weer op de rails te krijgen.

Kerngedachte van de WMO is het beginsel van de compensatie: gemeenten hebben de plicht burgers te ondersteunen zodat die zo normaal mogelijk functioneren. „Maar niemand weet wat die compensatie precies betekent’’, zegt WMO-coördinator Bob van der Meijden van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). „Je springt in het diepe.”

Geen enkel ander Europees land kent zo’n vergaande verplichting. De grootste cliëntenorganisatie, CG Raad (chronisch zieken en gehandicapten), spreekt van „een groot experiment”. Directeur Ad Poppelaars: „Wij zeggen tegen gemeenten: ga met de burger in gesprek en breng zijn probleem in kaart. Laat gemeenten nou alsjeblieft de oude lijstjes met standaardvoorzieningen wegdoen. Zij moeten achterhalen waar de cliënt precies behoefte aan heeft om zelfredzaam te worden. Dan kunnen ze maatwerk leveren. Die echte vernieuwing – van aanbod naar vraagsturing – moet nog beginnen.”

Brancheorganisatie van zorgaanbieders Actiz gaf onlangs aan een zelfde aanpak te willen.

VNG en CG Raad hebben de handen ineengeslagen. Ze willen dat gemeenten met elke cliënt, in de woorden van Van der Meijden, „een gesprek om de keukentafel” voeren. Dit betekent dat nauwelijks nog indicatiestelling zal plaatsvinden per telefoon, iets waarop cliëntenorganisaties en ook zorgaanbieders kritiek hadden. „Dat zal wel meer kosten”, waarschuwt Van der Meijden.

Bussemaker gaf in haar tussenbalans aan hiervoor „middelen” vrij te maken.

Eerdere artikelen over de Wmo op nrc.nl/binnenland