Eerst drinken, dan misschien werken

Met Russisch kapitaal en Hollandse kennis is een kassencomplex voor bloemen opgezet in Rusland. Wat er vervolgens gebeurt, is anders dan wat er in het Westland zou gebeuren. Een klaagzang.

Rose's factory in Dmitrov town (120 km from Moscow) made by Dutch technology. (for Economy desk)., 2008 Photo by Oleg Klimov tuinbouw bloemen rozen Klimov, Oleg

Het Westland ligt op 65 kilometer ten noorden van Moskou aan een uitvalsweg van het stadje Dmitrov. Rusland verschuilt zich er achter tienduizenden rozen in het drie hectare grote kassencomplex Onder de Es. Althans, zolang niemand zijn mond opendoet. Want zodra kassenbouwers Kees Hannewijk en Jos Malherbe van het Nederlandse bedrijf Dalsem Tuinbouwprojecten hun hart luchten, ben je meteen weer terug in de Russische werkelijkheid. En dat is er een waarin verschillende culturen nogal eens botsen. Zeker als het om ijverige Nederlanders gaat.

„Voor ons is het hier moeilijk werken”, zegt Kees, die samen met Jos aan een tuintafeltje berekeningen zit te maken. „De arbeiders zitten liever dan dat ze iets doen. Ook hebben ze geen enkel respect voor de materialen. Ze gooien alles zomaar de bagger in.”

Kees en Jos, die toezien op de voltooiing van een nieuwe kas met een oppervlak van 6 hectare, hebben alle reden tot klagen. „We zijn al sinds april 2007 met de bouw van deze kas bezig”, zegt Jos. „Na een half jaar had hij klaar moeten zijn. Maar we zijn nu een jaar verder. Nu hopen we hem deze maand te voltooien.”

In dat ene jaar hebben ze ook nog een collega verloren, de 51-jarige Johan van Eyk. „Hij is dood op zijn hotelkamer aangetroffen”, vertellen beide ontheemde kameraden.

Het kassencomplex Onder de Es bestaat twee jaar. Het kijkt uit op heuvelig akkerlandschap en is eigendom van de lokale Russische zakenman Ivan Tsjaraskin, die nog 23 andere bedrijven heeft. Tegenwoordig zit hij in de lokale politiek voor Verenigd Rusland. En op die manier hoopt hij zijn grootste plan te realiseren: het bouwen van een safaripark tussen Moskou en Dmitrov. De leiding van Onder de Es laat hij over aan zijn dochter Joelia, die eens in de week langskomt.

„We snijden hier 20.000 rozen per dag”, zegt uitvoerend directeur Sergej Petrovitsj in zijn kantoortje. „Ze worden allemaal nog diezelfde dag verkocht. En we hebben hier 51 man personeel.” Om die triomfen te vieren, wil hij het liefst de fles op tafel zetten. Maar dat aanbod wordt door zijn Nederlandse collega’s afgeslagen. „Eerst werken, dan drinken”, klinkt het in koor.

Dan komt de Nederlandse agronoom Kees Pouw binnen. Hij probeert de Russen in Onder de Es al twee jaar bij te brengen hoe ze rozen moeten kweken. Aanvankelijk in opdracht van de uitvoerder van het bouwproject, het Nederlandse Bulneth, maar inmiddels werkt hij er als zelfstandig agronoom. „In een Nederlandse kas werken veel minder mensen op zo’n oppervlakte”, zegt hij, terwijl ook hij de borrel weigert die Sergej Petrovitsj hem wil inschenken. „Maar Nederlanders hebben veel ervaring in de rozenteelt, omdat ze op een moderne manier produceren. En hier moeten ze dat nog leren.”

Die moderne productiemethode wordt door Pouw in Onder de Es geleidelijk ingevoerd. Het gaat alleen wat trager dan hij gewend is. Wat ook komt door de vertraagde nieuwbouw. „De nieuwe kas wordt neergezet door een bouwcompagnie van het leger”, zegt hij. „Maar die heeft weer een onderaannemer ingehuurd, die slecht betaalde gastarbeiders uit Tadzjikistan inhuurt. En die jongens schieten niet op. Ze staan bovendien onder leiding van officieren die ook ingenieur zijn, maar nog minder kunnen dan een Nederlandse schoolverlater. Juist door dat soort dingen kost alles in Rusland veel meer tijd.”

Behalve met de werkwijze van de bouwvakkers heeft Pouw ook moeite met die van zijn directe Russische collega’s. „Dit moet een bedrijf op Nederlandse leest worden”, zegt hij. „Maar tegelijkertijd willen ze alles Russisch houden. Ze weten het allemaal beter.”

Ironisch grijnst hij naar Sergej Petrovitsj, die tevreden knikt zonder iets begrijpen. „Vorig jaar had ik er even zo genoeg van dat ik ben opgestapt. En twee weken geleden zat het me weer tot hier. De Russen willen bijvoorbeeld een lage luchtbevochtiging van 35 à 37 procent in de kas hebben, terwijl ik juist 80 procent wil, omdat je daarmee een hogere productie bereikt. De Russen vergeten dat de kosten van gas en stroom omhoog gaan, evenals die van de lonen. En als je die kosten afzet tegen het lage werktempo, begrijp je mijn keus.”

De samenwerking met directeur Sergej Petrovitsj verloopt vooralsnog soepel. „Bij hem krijg ik nog het meest voor elkaar”, zegt hij. „Al heb ik soms het gevoel dat hij met zijn eigen zaakjes bezig is.”

Uit alles wat Pouw zegt, blijkt dat er een wereld van verschil bestaat tussen de Nederlandse en de Russische manier van werken. En hij heeft er een goede verklaring voor. „De Russen willen in alles structuur aanbrengen. Maar dat kost zoveel tijd dat er allerlei fouten in het productieproces sluipen die je zonder die structuur had kunnen vermijden. En dat is iets wat je in Rusland overal tegenkomt. Bovendien zijn Russen goed in het ontlopen van hun verantwoordelijkheden.”

Jos vult hem aan: „Het is een mentaliteit van ‘waarom zou je het makkelijk doen als het ook moeilijk kan’.” Kees: „Je loopt bijvoorbeeld de kas in en dan blijkt er geen stroom te zijn. Wij zijn gewend op zo’n moment bepaalde werkgeluiden te horen en als die er niet zijn dan weet je dat bepaalde dingen helemaal niet gebeuren.”

Jos: „Ik voel me hier vaak een soort schoolmeester.”

In de grote rozensorteermachine in de hal worden de gesneden rozen van de dagpluk in een ronddraaiende rails gehangen en langs drie computergestuurde camera’s gevoerd. Die camera’s selecteren ze op lengte en rijpheid om ze vervolgens naar een van de zes selectiestations te dirigeren, waaruit ze in keurige bossen van tien en in lengtes variërend van veertig tot honderd centimeter tevoorschijn komen.

Pouw loopt de nieuwe kas binnen en wijst op eindeloze rijen rozenstekjes, die in bakjes op matten van steenwol staan. Ze komen uit Nederland. „Op deze 6 hectare moeten straks 450.000 plantjes staan”, zegt hij. „Na tien à twaalf weken is zo’n stek een roos van goede kwaliteit. Ieder plantje krijgt via een computergestuurd pompsysteem 50 cc water per uur toegediend. Ook worden er meststoffen naar de kas gepompt.” Dan wijst hij naar de rode cilinders met een plastic slangetje, die overal in de kas aan het dak hangen. „Dat zijn computergestuurde sensoren die de neveldichtheid meten.”

Dan zegt hij geërgerd: „Hier had twee weken geleden al een deur moeten zijn die dit deel van de kas kan afsluiten. Nu trekt de lucht, waardoor deze rozen het niet zullen doen, omdat de temperatuur en de vochtigheid niet constant zijn.”

Alle apparatuur in de machinekamers is geleverd door Dalsem, een bedrijf met een wereldwijde reputatie op het gebied van kassenbouw. Volgens Pouw het beste wat er verkrijgbaar is.

„Met deze drie Oostenrijkse motoren is onze productie een miljoen euro duurder dan een gemiddeld Russisch bedrijf”, zegt Pouw als hij tussen de drie motoren staat. „De uitlaatgassen van deze motoren worden in grote opslagcontainers gepompt, waar ze van CO2 worden gezuiverd om ’s nachts weer de kas in te worden gepompt. Op die manier werken we heel milieuvriendelijk. En uiteindelijk krijg je zo ook een betere kwaliteit rozen en gaan uiteindelijk de kosten omlaag. Maar ook dat is moeilijk aan de Russen uit te leggen.”

De motoren produceren 2,2 kilowatt stroom per uur. Het is genoeg om ook Dmitrov van stroom te voorzien. „Ik heb Tsjaraskin erop gewezen en hij was zeer geïnteresseerd.”

Hij houdt stil bij een groepje Tadzjiekse arbeiders, die bij een kuil rondhangen. „Hier zit weer een lek in een waterleiding”, bromt hij. „Allemaal het gevolg van slechte montage. Van de zevenentwintig man zitten er vierentwintig op hun kont. Meestal zitten ze dan tussen de plantjes op de waterleidingen. Laatst heb ik er gewoon heet water van 60 graden doorheen laten pompen en toen was het ineens afgelopen met luieren.”

Sergej Petrovitsj komt nu bij hem staan. „Je vertelt toch geen geheimen?”, vraagt hij lachend. Achter zijn rug duiken oogstmeisjes uit de rozengaanderijen op. Het is lunchtijd, ze gaan naar de kantine. Het zijn voornamelijk Russinnen uit de stad en gastarbeidsters uit Oezbekistan. „Daar heb je Zoja, een van de twee andere agronomen”, zegt Pouw. „Over haar zal je van mij geen kwaad woord horen, want ze is goed in haar werk.”

„De gastarbeidsters gaan zelden naar huis”, zegt Petrovitsj meelevend. „Ze zijn erg eenzaam.” Gelukkig heeft het Pouw het beter geregeld. „Ik ben vierenhalve week hier en ga daarna tien dagen naar mijn gezin in Nederland. Maar nu blijf ik hier tien weken, want de nieuwe stekjes zijn net geplant en altijd als ik weg ben, gaat het altijd een beetje mis. Je moet bij het kweken van rozen namelijk voortdurend allerlei kleine dingen aanpassen. En ook daarin zijn de Russen niet zo goed.”

Buiten in de bouwput zijn vier Tadzjiekse arbeiders al zeker een uur bezig met het uitladen van een een blok beton, dat als ondergrond moet dienen voor een aan te leggen weg naar de opslagruimtes. Een legerofficier kijkt ongeïnteresseerd toe, met de handen in de zakken.