De PvdA zou een film moeten maken

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de geestelijke spagaat van de PvdA.

Van een ‘crisis’ kan eigenlijk niet worden gesproken; daarvoor gaat de neergang van de Partij van de Arbeid te gestaag. Maar het was toch een pijnlijke sneer van Geert Wilders (PVV) toen hij twee weken geleden in het Verantwoordingsdebat opmerkte dat „de benzineprijzen bijna even snel stijgen als de PvdA in de peilingen daalt”. Van de 33 zetels die de partij van vicepremier Wouter Bos op dit moment in de Tweede Kamer heeft, zijn in de laatste prognoses nog maar 16 over – een historisch dieptepunt. Het contrast wordt nog schriller in vergelijking met het begin van de verkiezingscampagne in 2006, toen de PvdA op haar hoogtepunt meer dan 55 zetels in het vooruitzicht had.

Waarom gaat het zo slecht met de PvdA? De kritieken zijn inmiddels alom bekend: de partij heeft geen duidelijk ideologisch profiel, verandert te vaak van standpunt en doet te veel (cruciale) concessies. Partijleider Bos toont daarbij ook te weinig visie en leiderschap. Uiteindelijk komen deze bezwaren allemaal op hetzelfde neer, namelijk: de PvdA stáát nergens voor. Of, filosofischer uitgedrukt: de partij heeft een gebrek aan waarheden.

Onder leiding van Wim Kok werden in de jaren ’90 de ‘ideologische veren’ afgeworpen en daar plukt de partij nu de zure vruchten van. De fractie – en vooral aanvoerder Bos – lijken soms verlamd door hun zelfopgelegde postmodernistische houding: ze geloven niet meer in onwrikbare, morele waarden en kunnen daardoor nauwelijks nog duidelijke standpunten innemen. Zo schippert de PvdA al maandenlang over thema’s als gratis kinderopvang, gratis schoolboeken en het afschaffen van de WW-premie.

Ten grondslag aan bijna al deze twijfels ligt eigenlijk één simpele, maar moeilijk te beantwoorden vraag: hoe kan solidariteit worden gerechtvaardigd zonder een beroep te doen op een absolute morele waarheid? Precies deze vraag werpt ook de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) op in een van de meest bediscussieerde filosofische werken van deze tijd: Contingentie, ironie en solidariteit (1984).

De titel van het boek vat het probleem in drie kernwoorden samen. Eerst stelt Rorty vast dat morele waarheden niet bestaan; ethische opvattingen zijn „historisch bepaald” en „veranderlijk” (contingentie). Hierdoor komt het streven naar rechtvaardigheid (solidariteit) op losse schroeven te staan; wat ‘rechtvaardig’ is kan immers niet definitief worden vastgesteld. De postmoderne mens is zich hiervan bewust en zit daardoor met de haast onbeantwoordbare vraag opgezadeld of en hoe hij het streven naar een ‘betere’ samenleving nog kan motiveren (ironie).

Rorty voorzag twintig jaar geleden dat dit een van de meest prangende vraagstukken van de postmoderne samenleving zou worden, en de PvdA lijkt daar in Nederland nu de verpersoonlijking van geworden. Voorman Bos is de postmoderne politicus pur sang: hij wil de samenleving wel „een stukje beter maken”, zoals hij dat zelf formuleert, maar weigert zich daarbij te verbinden aan een ideologie. Daardoor twijfelt hij doorlopend en toont hij nauwelijks politieke daadkracht.

Hoewel Bos bijvoorbeeld verklaard voorstander van het aanpakken van topinkomens is, weigert hij belastingmaatregelen te treffen. Want „het wenselijke is niet altijd wettelijk af te dwingen”, stelt hij. Dat getuigt weliswaar van realiteitsbesef en bescheidenheid, maar komt ook heel machteloos over. Niet voor niets waarschuwt Rorty dat leven in de wetenschap dat solidariteit geen definitieve rechtvaardiging kent „politiek onbruikbaar” is – er valt geen gezag aan te ontlenen.

Helaas is tegen beter weten in toch maar kiezen voor een hogere ‘morele waarheid’ voor Bos eveneens onmogelijk – een atheïst kan ook niet zomaar in God gaan geloven. Toen Bos een paar weken geleden eens wél krachtig stelling nam – in de kwestie over straatcoaches in Slotervaart die vrouwen geen hand wilden geven – viel plots de halve PvdA over de ‘te principiële’ partijleider heen.

Dat toont de geestelijke spagaat waarin de sociaal-democraten verkeren: het anti-idealistische pragmatisme van de partij overtuigt niet, maar terugkeren naar een ideologie is nóg ongeloofwaardiger. De PvdA zou dan pas echt ‘draaien’ in haar filosofische koers. Het probleem van Wouter Bos komt er dan ook op neer dat hij een manier zal moeten vinden om zijn antiprincipiële politiek geloofwaardiger te maken zonder plotseling principieel te worden.

Wellicht dat de filosofie van Richard Rorty daarvoor uitkomst biedt. In Contingentie, ironie en solidariteit betoogt Rorty namelijk dat de „ironische mens”, die weet dat zijn overtuigingen ‘toevallig’ zijn, tóch pal kan staan voor solidariteit, ondanks het besef dat zijn streven „niet theoretisch gesteund kan worden”. Wat daarvoor dan echter wel nodig is, stelt Rorty, is „een wending van de theorie naar het verhaal”.

Daarmee bedoelt hij dat solidariteit tussen mensen niet bewerkstelligd moet worden door middel van morele argumenten of ethische principes, maar door middel van „de verbeelding”. Solidariteit wordt namelijk „niet ontdekt door na te denken”, zegt Rorty, maar „gecreëerd door de gevoeligheid voor het lijden van anderen te vergroten”. Anders gezegd, een moreel appèl op topmanagers met een exorbitant salaris, zoals Wouter Bos onlangs deed, heeft de gewenste uitwerking niet meer. Vereist is om te verbeelden waarom een rechtvaardigere inkomensverdeling nodig is.

Voor een dergelijke verbeelding acht Rorty de roman het meest geschikte medium. Hij beschouwt literaire werken als De Negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher en 1984 van George Orwell dan ook als de ultieme voorbeelden van zijn stelling dat overtuigingen niet voortvloeien uit rationele overwegingen. Deze boeken zijn volgens hem namelijk meer dan welke ethische theorie dan ook in staat gebleken om mensen van nieuwe waarden te overtuigen – niet door er argumenten voor aan te dragen, maar door het „vocabulaire” van mensen te veranderen; door de maatschappij in „nieuwe termen te beschrijven”.

Toen Rorty dit schreef – in de jaren ’80 – viel hem veel hoon en kritiek ten deel. Toch lijkt hij de laatste jaren in toenemende mate gelijk te krijgen. Want in de hedendaagse beeldcultuur wint ‘de verbeelding’ het inderdaad steeds vaker van ‘de argumenten’, zoals Rorty betoogde. De meest succesvolle politici van nu bedienen zich niet zozeer van principes, als wel van verhalen. Alleen is het medium veranderd: de meest invloedrijke „herbeschrijvingen van de maatschappij”, zoals Rorty ze noemt, zijn niet langer literaire romans, maar politieke documentaires.

Zo heeft Al Gore grote invloed gehad op ons morele vocabulaire met zijn film An Inconvenient Truth; termen als ‘groen’ en ‘duurzaam’ verwierven daarmee een hogere (morele) status. En ook in Nederland bedienen succesvolle politici zich van deze methode: Geert Wilders verfilmde zijn islamkritiek in Fitna, Marianne Thieme (PvdD) kwam met het filmpamflet Meat The Truth en de SP van Jan Marijnissen scoorde een hit op internet met een confronterend filmpje over de Nederlandse ouderenzorg. Deze populaire politici doen precies wat Rorty adviseert: mensen voor hun overtuigingen werven door een nieuw „moreel sentiment” te scheppen; door anderen gevoelig te maken voor een bepaald lijden – het lijden van de aarde, van dieren, van ouderen of van onze ‘bedreigde’ cultuur.

Het klinkt misschien populistisch, maar dat is het niet: wat de PvdA eigenlijk zou moeten doen is het partijprogramma verfilmen. Daarvoor hoeft de partij haar antiprincipiële pragmatisme niet te verraden: voor het vertellen van een sociaal-democratisch ‘verhaal’ zijn geen ideologische vergezichten nodig. De partij hoeft slechts te verbeelden welke misstanden zij signaleert in de samenleving en welke praktische oplossingen ze ervoor aandraagt.

Een goed verfilmd inkijkje in het leven van een alleenstaande moeder met drie kinderen en een WW-uitkering zal in het huidige tijdsgewricht ontegenzeggelijk meer kiezers overtuigen dan alleen een partijprogramma onderbouwd met cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau. Want, zoals Rorty zegt, „de waarheid wordt niet langer gevonden, maar gemaakt”.

En met een goed script en een getalenteerde producer kan je daarin ver komen.