De komende schaarste

Stel je voor dat in deze verkiezingsstrijd een kandidaat de zuivere waarheid over de beste energiepolitiek zou vertellen, schrijft Thomas L. Friedman in de International Herald Tribune. Het zal niet gebeuren, maar laat je fantasie even de vrije loop. Die mythische kandidaat zou zeggen dat we zullen moeten leren leven met de hoge brandstofprijzen en dat dit voor de natie het beste is. In andere bewoordingen doet de Britse premier Gordon Brown in The Guardian een voorspelling van dezelfde strekking.

Er staat ons opnieuw een grote olieschok te wachten, de derde oliecrisis. Dit mondiale vraagstuk vergt een alomvattende oplossing. Terwijl deze autoriteiten hun waarschuwingen lanceerden, hielden in Frankrijk, Nederland, Bulgarije, Spanje en Italië vrachtautochauffeurs en vissers stakingen tegen de hoge olieprijzen. Luchtvaartmaatschappijen verhoogden opnieuw de brandstoftoeslag. Op de Nederlandse wegen stond 412 kilometer file, maar volgens minister Eurlings en mevrouw Verdonk zal dat probleem binnen afzienbare tijd verdwijnen.

In 1972 publiceerde Dennis Meadows zijn Grenzen aan de groei, waarin hij betoogt dat door industrialisatie, bevolkingsgroei, vervuiling en voedselschaarste een mondiale crisis onvermijdelijk zal zijn. Van dit boek zijn 12 miljoen exemplaren verkocht.

In 1973 brak na de Jom Kippoeroorlog tussen Israël en een aantal Arabische staten de eerste oliecrisis uit. Wegens hun steun aan Israël werden vooral Amerika en Nederland door een olieboycot getroffen. We kregen de autoloze zondag. Premier Den Uyl maakte zich onvergetelijk door te verklaren dat het nooit meer zou worden als het geweest was. Dat bleek geweldige mee te vallen. Wel bezorgde hem dit de haat van heel gemotoriseerd Nederland.

In 1978 kwam de tweede oliecrisis. Premier Lubbers gaf het volk de raad, de gordijnen dicht te doen en vroeg naar bed te gaan om brandstof te sparen. Maar weer bleek het loos alarm te zijn.

Misschien staan we nu aan de vooravond van de derde oliecrisis. De factoren die Meadows als oorzaken van de uiteindelijke ramp beschouwde, zijn exponentieel in kracht toegenomen. China en India zijn de nieuwe economische giganten, beide met een bewind dat er niet aan denkt om grenzen aan de groei te stellen. In sommige delen meer dan in andere, maar overal blijft de bevolking toenemen. Sinds het verdrag van Kyoto wordt er wel meer aan de beperking van de vervuiling gedaan, maar lang niet voldoende om de klimaatverandering binnen afzienbare tijd te doen keren. En de olieprijs blijft stijgen. The Economist voorziet dat er binnenkort 135 dollar per vat moet worden betaald.

De voortdurende stijging is het gevolg van een paar duurzame ontwikkelingen. Sinds het einde van de Koude Oorlog is de mondiale invloed van het Westen, in het bijzonder de Verenigde Staten relatief gestaag verminderd. China en India zijn economische grootmachten geworden, Rusland heeft zich hersteld en beseft zijn macht als producent van gas en olie. En vooral is de Amerikaanse invloed op olieproducerende staten in het Midden-Oosten afgenomen. President Bush is in Saoedi-Arabië vriendelijk ontvangen, maar de koning denkt er niet aan om productie te verhogen.

Door de oorlog in Irak is het Midden-Oosten voor Washington politiek ontoegankelijk geworden. Iran, nu op weg de machtigste natie in de regio te worden, is ook de verklaarde vijand van de Verenigde Staten. In Venezuela heeft president Chávez het anti-Amerikanisme opnieuw uitgevonden. Op Brazilië, regionale grootmacht in wording, valt niet te rekenen.

De andere duurzame ontwikkeling ligt in het Westen. Hier is ongeveer een halve eeuw geleden de cultuur van de consumptie ontstaan. De twee oliecrises hebben daar niets aan veranderd. Na de Koude Oorlog braken de Roaring Nineties aan, de tien jaar van onophoudelijk stijgende welvaart. Eerst kwam Francis Fukuyama tot de conclusie dat ‘het einde van de geschiedenis’ was aangebroken. Het was afgelopen met de Hegeliaanse tegenstelling tussen de ideologieën. Tegen het einde van het decennium ontdekten geleerden van naam de Nieuwe Economie van de eeuwige groei. Daarmee leek de consumptiecultuur die al een paar generaties eerder was ontstaan, zich onverwoestbaar te hebben gevestigd. Deze cultuur heeft een ‘nieuwe mens’ doen ontstaan, onvermijdelijk. Een geweldige productie staat dag en nacht klaar om al zijn wensen zo veel en zo vlug mogelijk te vervullen. Armer of rijker, dat maakt in dit geval geen verschil. Hij heeft geleerd, dit als zijn onvervreemdbaar recht te beschouwen.

De elfde september, het begin van ‘de oorlog tegen het terrorisme’ heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hem alleen geleerd dat er een nieuwe vijand is – ‘de moslims’ – die hem van zijn paradijs wil beroven. De consumptieve burger zal zich tot het uiterste en hoe dan ook tegen deze inbrekers in zijn consumptieparadijs verdedigen. Dit is per slot van rekening het enige politieke doel dat zijn voorstellingsvermogen aanspreekt.

En in deze situatie komen de nieuwe profeten die hem vertellen dat de voorraden van zijn paradijs uitgeput raken en dat er nieuwe machten zijn, de miljoenen die ook aanspraak maken op het goede leven. Voor het eerst wordt er een beroep gedaan op zijn politieke verbeeldingskracht. Er kan een situatie ontstaan waarin hij niet tijdelijk ‘een stapje terug’ zal moeten doen, maar verplicht zal zijn, te wennen aan een nieuwe schaarste die hem volstrekt vreemd is. Het zou de taak van de politiek moeten zijn, hem op deze mogelijke toekomst voor te bereiden; een samenleving die misschien radicaal verschillend zal zijn dan die waarin hij tot nu toe zijn leven heeft geleefd. Die waarheid wil er ook bij onze politici nog niet in. Iemand met gezag die bij ons deze boodschap voor zijn rekening wil nemen, is even denkbeeldig als Friedmans mythische president.

Reageren kan op nrc.nl/hofland