De eenbenige, grijsharige Oldenzaler

Nicolien Mizee geeft een cursus verhalen schrijven aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het schrijfwerk van haar leerlingen. Vandaag gaat het over schrijven wat je denkt.

„Nicolien, jouw definitie van een plot komt niet overeen met de definitie zoals Mieke Bal die geeft in haar standaardwerk over literatuur”, zegt Philip en hij begint aan een zeer lange, Engelse zin.

Ik geef een aantal gastlessen aan een dure school en de leerlingen zijn hoger opgeleid dan ik gewend ben. Toch schrijven ze niet beter dan mijn leerlingen van de Volksuniversiteit.

Schrijftalent staat los van geleerdheid. Waar heeft het eigenlijk wél mee te maken? Intelligentie? Ik hoop het niet, want ik begrijp geen woord van Philips definitie en sta versuft te wachten tot hij klaar is.

„Lees je eigen plot maar voor”, zeg ik.

Philip slaat zijn handen voor zijn gezicht. „Ik heb geen plot!” roept hij. „Sla me maar over!”

Ik sta er van te kijken. Philip is een dunne heer met een professoraal uiterlijk.

„Lees maar voor wat je wél hebt”, zeg ik.

„De eenbenige, grijsharige Oldenzaler rammelde rampzalig aan de muurvast gesloten deur. Onvervalst en onverbiddelijk dreunde het in zijn oren: ontslagen! Verder had ik het niet.”

„Dus er is een man en die man is ontslagen.”

Ik draai me om schrijf een grote W op het bord. „Dat is de W van Wil”, zeg ik. „Wat wil de eenbenige Oldenberger?”

„Oldenzaler”, verbetert Philip me. „Hij heeft geen wil. Hij wordt bestuurd door de elementen.”

„En wat willen die elementen dan?”

Philip schuift zijn bril op zijn voorhoofd en weer terug. „Dat weet ik nog niet. Ik wil zoiets als Het Martyrium van Canetti. Maar dan in de stijl van Jeroen Brouwers.”

Naarmate ik langer lesgeef, vergeet ik hoe moeilijk en angstaanjagend het voor de meeste mensen is om te vertellen wat ze bedacht hebben. Multatuli zei ooit: „Wie zich, zoals ik, toelegde op eenvoudige meedeling van wat er omgaat in zijn gemoed, zonder te denken aan schrijverij, zou weldra ‘even mooi’ schrijven als ik.” En Karel van het Reve: „Als iedereen zou schrijven wat hij dacht, zou haast iedereen interessante dingen kunnen schrijven.”

Schrijven wat je denkt, is bijzonder moeilijk en vergt een grote dosis moed. En die moed kan ik mijn leerlingen niet geven. Hoogstens kan ik van de kant roepen: „Spring!”

Argumenteren heeft geen zin met iemand die bang is. Ik besluit korte metten te maken.

„Moet je luisteren”, zeg ik tegen Philip. „Vergeet elk idee over de vorm. Geef die Oldenzaler een naam. Bedenk wat hij wil en waarom dat niet lukt. Gebruik niet meer dan drie bijvoeglijk naamwoorden. Niet denken, maar schrijven. Gaat dat lukken?”

„Ik weet het niet”, zegt hij dun. „Denk jij dat ik het kan?”