Cabaretteketet en publieksbeschimping

In de latere jaren zestig heb ik met een handjevol geestverwanten nog wel eens kleine zaaltjes bezocht waar we vanaf het podium werden uitgescholden door een paar acteurs die op omgekeerde keukenstoelen zaten, en ons woedend aankeken. ‘Wel met je luie kont in een foute Opel naar een theater rijden’, kregen we bijvoorbeeld om ons oren, ‘maar een poot uitsteken om de Amerikanen uit Vietnam te krijgen? Ho maar’.

De meeste verwijten die ze ons naar ’t hoofd slingerden zijn verjaard of totaal vergeten, maar ik denk dat ze eigenlijk allemaal terecht waren. Voor de meesten van ons heeft de solidariteit met de Vietcong toch nooit verder gereikt dan een paar gulden voor het Medisch Comité? Niemand probeerde serieus de Parijse Revolutie uit het vuur te slepen. Het Milieu, dat nog voor 95 procent moest worden uitgevonden, hadden wij toen al voor driekwart om zeep geholpen. De Maagdenhuisbezetters bleken tenslotte even snel voor de politie gezwicht als destijds het Nederlandse leger voor de rotmoffen. En als we de foute Opel ontgroeid waren, bereden we zelden iets fundamentelers dan een ludieke 2CV.

Als de toneelspelers al hun gal hadden gespogen klonk dus ook dankbaar applaus, omdat ze ons slaphartig gedrag zo meedogenloos aan de kaak hadden gesteld. En in de nazit werd er pittig door gediscussieerd.

Publikumsbeschimpfung. Het is een kortstondige theatermode geweest Alleen door Peter Handke, die onder die titel ooit een werkzame tekst schreef, steekt ze af en toe nog eens de kop op, zonder dat er overigens iets aan vernieuwd of aangescherpt lijkt. Er is vanwege een andere actuele oorlog geloof ik nog eens geëxperimenteerd met de suggestie dat onder het publiek, net als in die oorlog, dodelijke slachtoffers zouden vallen. Maar het gezelschap schoot met proppen. Voor een realityvoorstelling waarvan het niet zeker is of je er echt levend van thuis komt, zullen we waarschijnlijk op John de Mol moeten wachten.

Of zou Theo Maassen het spits afbijten?

De uitgever Thomas Rap, die niet van cabaret hield (maar later wel met veel genoegen het verzameld werk van Herman Finkers en Youp van ’t Hek uitgaf) noemde de kunstvorm altijd met enig dedain cabaretteketet. Dat zou hij nu niet meer wagen. Op sport en god na is cabaretteketet intussen het lievelingsgenre van het Nederlandse televisiepubliek geworden. Alleen al de VARA durft geen zaterdagavond meer te programmeren waarin niet van half negen tot half twaalf een onemanshow van noem-maar-iemand-op te zien is. De VPRO heeft een claim op Freek de Jonge, de EO op Hennie Huisman, de AVRO op fragmenten van alle Nederlandse komieken die sinds Eduard Jacobs en Coos Speenhoff beroemd zijn gebleven.

Cabaret is macht geworden. Er is hier een kleinkunstacademie die elk jaar honderden alumni aflevert die allemaal even goed schijnen te zijn, en die tot het midden van de volgende eeuw een contract meekrijgen voor elk minstens twee avondvullende uitzendingen per seizoen. Gezwegen nog van de lokale cabarettempeltjes die in dit tempo bijna niet aangebouwd raken.

Zeker als iemands macht zo ver is uitgegroeid boven het oude Wim Sonneveldachtige cabaretteketet-niveau als bij Theo Maassen het geval is, dan hoeft de volksentertainer maar even driftig te worden, of het moment suprême is nabij. Eén fotografe volstaat. Wanneer de cabaretier haar bij wijze van Publikumsbeschimpfung eerst de huid vol scheldt, vervolgens aan het publiek vraagt om met handgeklap duidelijk te maken of ze straf verdient en zo ja welke, dan mag het kind na afloop god nog op haar blote knieën danken dat ze er met alleen maar een vernielde camera van af is gekomen.

Goed te horen dat Theo altijd borg staat voor de letselschade.

Lees alle eerdere columns van Jan Blokker op nrcnext.nl/blokker