Zichzelf om mee om te gaan

Marjoleine de Vos vraagt zich af hoe we onszelf zien.

Laat die omgang met anderen maar eens rusten.

Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland, Vianen, 28-05-2006 Lente, bloemenveld, weiland, koolzaad, klaver, gras, natuur, milieu. Foto Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Aan de rand van de tuin zit ik met uitzicht over het weiland in de late zon. De kranten liggen op een tafeltje verderop, ik pak ze niet, ik kijk, luister, zit. Weet niet eens zeker of ik denk, wel zijn er allerlei beelden, herinneringen, gemoedsbewegingen daarbinnen die meedoen met het geluid van de vogels, het licht van lage zon en hoe dat, ach schitterender dan ooit beschreven kan worden, het bloeiende weiland beschijnt. Later, in de stad, denk ik terug aan hoe ik daar zat, alleen, in huis ook niemand.

Een lieve vriend in het ziekenhuis zit voor het raam en kijkt uit over de stad. Hij leest niet, soms hoort hij wat op de radio. Maar vooral zit hij en binnen in zijn hoofd speelt zich van alles af, hij kijkt naar een deel van zijn leven dat hij nu als geschiedenis beschouwt, ook al gaat het misschien, hopelijk, nog wel verder.

De brug in de polder, ergens op de A6, gaat dicht. Auto’s stoppen, een aantal zet de motor uit. Een man in een bestelauto doet het portier open, rookt een sigaret, staart naar het water, de schepen, de slagbomen, het licht. Als de sigaret op is, verandert er niets in zijn houding, pas als de brug weer dicht gaat en motoren aanslaan, stapt hij weer in en verandert terug in iemand die onderweg is ergens naartoe.

We praten, denken en schrijven heel veel over onze omgang met anderen, over hoe ons gedrag moet zijn, hoe onze houding, hoe we succes hebben in de wereld, hoe we onze meningen over het voetlicht krijgen. Soms denk je: hoe gaan we eigenlijk om met onszelf?

Jarenlang hebben we moeten horen dat het heel belangrijk is om van jezelf te houden. Ik weet nooit zo goed wat dat is, van jezelf houden. Je eigen zwaktes ken je maar al te goed, je fouten, je egoïsme, je onhandigheid, je – nu ja. Maar je wordt niet door jezelf vertederd, ontroerd of geraakt, je denkt nu nooit eens over jezelf, zoals over een ander wel: wat ben je toch lief! En waarom dat zou moeten weet ik eigenlijk ook niet. Je hoeft geen hekel aan jezelf te hebben, beter van niet, al is er soms echt wel aanleiding toe, maar dat maakt alles heel moeilijk. Denk aan het gedicht ‘Hard facts’ van Jan Emmens:

’t Gras is gemaaid, de bloemen staan op stelen,

de blaren hangen keurig aan de boom.

De een heeft een huisdier wat te bevelen,

iemand te strelen, iemand te slaan,

de ander zichzelf om mee om te gaan.

Een nogal depressief gedicht, met als bewering dat het zo goed als onmogelijk is om met zichzelf om te gaan – of zegt het alleen maar dat dat niet moeilijker of gemakkelijker is dan een huisdier of een medemens verdragen?

Met jezelf omgaan is vaak gemakkelijker als er iemand is om te strelen of te slaan, als je je op iemand anders kunt richten dan op jezelf. Lang geleden al las ik eens, ik meen in Jeroen Brouwers’ Zonsopgangen boven zee:

„Eenzaamheid: niet dat er niemand is die van mij houdt, maar dat er niemand is van wie ik houd.”

Lijkt me nog steeds wel juist gezien.

Je ziet jezelf voor een belangrijk deel via je omgeving, in de spiegel van al die reacties. Die laten je voelen waar je grenzen zitten, wat je goed doet en wat slecht, wanneer je ontactvol bent en wanneer aardig. Niet dat je de hele tijd bezig bent met wat anderen van je denken, een deel van de registratie van die reacties gaat vanzelf. Sommige zijn moeilijk te verteren, als je zo zeker weet dat je gelijk hebt en iedereen vindt van niet, of als iedereen vond dat je zeurde terwijl jij zelf met relativeringsvermogen en zelfspot dacht te laten zien hoe het ook zou kunnen. Dan moet je je wonden likken als je alleen bent, en je afvragen of zelfcorrectie hier op zijn plaats is.

Als je nooit alleen zou zijn met je gedachten, zou je dan gek worden? Of alleen maar een sociale ramp? Is de mobiele telefoon, voor degenen die zo’n ding eigenlijk nooit meer van hun oor halen, een geestelijke ramp? Kan me wel voorstellen dat dat zo is.

Net zoals het ontbreken van een sociale omgeving voor de geestelijke gezondheid heel moeilijk moet zijn. Zelfs weinig sociale omgeving is al moeilijk – om een of andere reden is het verbazend vele malen gemakkelijker de zin van je bestaan te ontlenen aan het bestaan en de aanwezigheid van anderen. Eenzaamheid is een moeilijke conditie. Maar af en toe alleen zijn geeft wel een prettig gevoel, de illusie dat je het redt of zou kunnen redden in je eentje. Het is al aangenaam om soms gewoon alleen maar merken wat je doet, hoe je doet, wat je leuk vindt als je alleen bent. Een lange autorit kan je dat gevoel al bezorgen: zo ben ik nu in mijn eentje. Ik kijk om me heen, ik denk dingen, ik zing een liedje – dat ben ik. Wat niet waar is, maar vooruit. Een groot deel van wat je ‘ik’ noemt, is iets dat zich toont in reactie op anderen.

Hoewel niemand het gevoel heeft dat hij of zij alles doet voor de ogen van anderen, en het ook niet populair is om dat te doen, we moeten immers voortdurend om onszelf denken en onszelf verwennen en vinden dat we van alles en nog wat waard zijn – vrijwel elke jonge vrouw zal desgevraagd beweren dat haar make-up, kapsel en kleren, hoe sexy ook, uitsluitend bedoeld zijn ‘voor mezelf’ – geeft de mogelijke blik van mogelijke buitenstaanders toch een voortdurende impuls aan ons handelen. Merkte laatst zelf dat ik meer aardigheid had in het gras maaien en de heg knippen omdat ik bezoek zou krijgen een paar dagen later, zoals ik ook wel eens, al schoonmakend, een denkbeeldige toeschouwer verzin die opmerkt hoe fijn het is dat er geen vlekken zitten op de tegeltjes daar rechts onder in de hoek bij de afwasmachine. Zulke toeschouwers zijn er niet, maar de gedachte eraan is stimulerend.

Kan me op zulke momenten ook goed voorstellen dat je een god invoert die je altijd ziet. Dat geeft enorm veel zin aan alle handelingen. En zelfs de mogelijkheid van zo’n peilend oog doet dat al: „Heer u kent mij, u doorgrondt mij.” Hu – dat is niet gemakkelijk. Maar wel stimulerend.